Gelet op de ontwikkelingen op het gebied van ZZP zullen wij u regelmatig op de hoogte houden door middel van onze ZZP-update. In deze ZZP-update wordt u bijgepraat over de ontwikkelingen, de impact op uw organisatie en de acties die u dient te nemen.
Op maandag 7 juli 2025 heeft het kabinet het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel beoogt meer duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het wetsvoorstel is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen waarmee het kabinet beoogt schijnzelfstandigheid terug te dringen en het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen te verduidelijken.
In een eerder artikel bespraken wij de versie van dit wetsvoorstel uit 2024. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State en de recente antwoorden van de Hoge Raad in de Uber zaak heeft het kabinet het wetsvoorstel aangepast. De antwoorden in de Uber zaak hebben er onder meer toe geleid dat duidelijk is dat extern ondernemerschap een volwaardig gezichtspunt is bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst.
In dit artikel bespreken wij de belangrijkste onderdelen van wetsvoorstel.
Verduidelijking ‘werken in dienst van’ (gezag)
Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is een gezagsverhouding tussen de werkgever en werknemer vereist. Het wetsvoorstel voorziet in een verduidelijking van dit criterium. Voorgesteld wordt om de hoofdelementen voor de beoordeling van een gezagsverhouding wettelijk vast te leggen. Twee hoofdelementen staan daarbij centraal:
- Werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever (W)
- Werken voor eigen rekening en risico (Z)
De toetsing vangt aan met de vraag of sprake is van werkinhoudelijke en organisatorische sturing (W). Als dergelijke sturing ontbreekt, is er geen sprake van een gezagsverhouding. Indien dit wel aanwezig is, worden ook contra-indicaties meegewogen die juist wijzen op zelfstandig ondernemerschap (Z). Het toetsingskader is in onderstaand schema verduidelijkt.
De indicaties die van belang zijn bij de vraag of sprake is van deze hoofdelementen worden opgenomen in een nog vast te stellen algemene maatregel van bestuur. De indicaties die de hoofdelementen invullen worden al wel toegelicht in de Memorie van Toelichting. Het Deliveroo-arrest vormt een belangrijke juridische basis voor de indicaties die in het wetsvoorstel worden genoemd.
De volgende indicaties wijzen op het werken onder werkinhoudelijke of organisatorische sturing:
- De werkgevende is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren en de werkende moet deze ook opvolgen.
- De werkgevende heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is bevoegd om op basis daarvan in te grijpen.
- De werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgevende.
- De werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie.
Werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.
De volgende indicaties wijzen juist op het werken voor eigen rekening en risico:
- De financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende.
- De werkende zorgt voor een herkenbare en zelfstandige uitvoering van de werkzaamheden.
- De werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie van de werkgevende niet structureel aanwezig is.
- Er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week.
- Kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de werkende (buiten de arbeidsrelatie gelegen) voor soortgelijke werkzaamheden (extern ondernemerschap)
Voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie wordt op basis van de indicaties beoordeeld bij welk hoofdelement het zwaartepunt ligt. Dat bepaalt vervolgens of sprake is van een gezagsrelatie en daarmee of sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Rechtsvermoeden
Het wetsvoorstel introduceert verder een rechtsvermoeden op basis van uurtarief. Zelfstandigen die minder dan €36 per uur verdienen kunnen zich beroepen op dit rechtsvermoeden. De werkgevende is dan aan zet om te bewijzen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het rechtsvermoeden is géén minimumtarief voor ZZP’ers, maar een juridisch hulpmiddel om gemakkelijker aanspraak te maken op de bescherming van het arbeidsrecht. Het uurtarief wordt ieder jaar aangepast aan de stijging van het minimumloon.
Tot slot
De gevolgen van de verduidelijking van de gezagsverhouding (‘werken in dienst van’) zullen naar verwachting beperkt zijn. Het wetsvoorstel beoogt immers aan te sluiten bij de wijze waarop momenteel al door de rechter getoetst wordt of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het introduceren van een rechtsvermoeden op basis van uurtarief kan in bepaalde sectoren, waarin de beloning van zelfstandigen relatief laag is, wel verstrekkende gevolgen hebben. Als de Tweede Kamer instemt, gaat het voorstel door naar de Eerste Kamer. Als ook de Eerste Kamer instemt wordt het wetsvoorstel volgens planning op 1 juli 2026 van kracht.
Belangrijk om te benadrukken is dat sinds 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium is opgeheven. Dit betekent dat de Belastingdienst weer actief optreedt tegen schijnzelfstandigheid en de mogelijkheid heeft om naheffingen op te leggen. Het is daarom essentieel dat organisaties nu maatregelen treffen om schijnzelfstandigheid te herkennen en te voorkomen.
Heeft u vragen over de kwalificatie van arbeidsrelaties of over wat u kunt doen om schijnzelfstandigheid binnen uw organisatie te voorkomen? Neem dan gerust contact met ons op.