Valt een bedrijf waar een werknemer feitelijk werkt, maar geen arbeidsovereenkomst mee heeft, onder het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW?
Een aankomend monteur koudetechniek raakt ernstig gewond wanneer tijdens werkzaamheden aan een koelunit een schakelkast van ongeveer 465 kg op hem kantelt. Hij loopt onder meer een bekkenfractuur en een gebroken heiligbeen op en wordt opgenomen in het ziekenhuis.
De zorgverzekeraar van de monteur vergoedt vervolgens EUR 60.709,76 aan medische kosten en probeert dat bedrag te verhalen op het installatiebedrijf waar de monteur feitelijk werkzaam was. De monteur had echter geen arbeidsovereenkomst met dat bedrijf, maar met een holdingmaatschappij. In de arbeidsovereenkomst stond wel expliciet dat hij feitelijk werkzaam was bij het installatiebedrijf, waar hij ook uitsluitend werkzaamheden verrichtte.
Het installatiebedrijf verweert zich met een beroep op het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW. Volgens haar moet ook een feitelijke werkgever onder het werkgeversbegrip van die bepaling vallen, zeker nu sprake was van een duurzame en exclusieve tewerkstelling. Ook verzocht het bedrijf de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
De rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Onder verwijzing naar het Anderzorg-arrest van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank dat het werkgeversbegrip in artikel 7:962 lid 3 BW beperkt moet worden uitgelegd. Doorslaggevend is met welke partij de arbeidsovereenkomst is gesloten. Omdat het installatiebedrijf geen formele werkgever was, geldt het subrogatieverbod niet en mag de zorgverzekeraar regres nemen.
Deze uitspraak bevestigt dat het subrogatieverbod strikt wordt uitgelegd. Voor de vraag of regres mogelijk is, blijft de formele werkgever beslissend en niet de partij waar de werknemer feitelijk werkzaam is.
Deze teaser is geschreven door Rosanne Snoek
Om de uitspraak te lezen klik hier.