Krijgt bewijs causaal verband in hoger beroep wél ritme?
Een bekende DJ kreeg in de Verenigde Staten een forse belastingheffing en boete opgelegd: samen goed voor bijna USD 17 miljoen. Dat bedrag wil hij verhalen op zijn voormalig belastingadviseur. In eerste aanleg oordeelde de rechtbank weliswaar dat de adviseur steken had laten vallen, maar zette de volumeknop lager bij het oordeel over het causaal verband: onvoldoende aannemelijk was dat de DJ in de hypothetische situatie zonder beroepsfout had kunnen én willen voldoen aan (fiscale) alternatieven waarmee de belastingheffing had kunnen worden vermeden. Oftewel: ook zonder fout zou de DJ vermoedelijk belastingplichtig zijn geweest.
In hoger beroep trekt de DJ alles uit de kast om het causaal verband alsnog aannemelijk te maken. Daarbij beroept hij zich op twee leerstukken die benadeelden tegemoet kunnen komen bij causaliteitsonzekerheid: de omkeringsregel en het leerstuk van de kansschade.
Het Hof ziet uiteindelijk echter geen relevante onzekerheid meer over het causaal verband en heeft daarom geen aanleiding deze leerstukken toe te passen. Wel motiveert het Hof waarom de omkeringsregel in dit geval niet opgaat. Voor toepassing daarvan is vereist dat een norm is geschonden die specifiek strekt tot het voorkomen van een bepaald gevaar. Het ging hier om schending van de informatieplicht over het Amerikaanse belastingrecht. Deze norm strekt ertoe de DJ in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen, maar niet om hem te beschermen tegen het risico van Amerikaanse belastingheffing.
Het leerstuk van kansschade lijkt in deze casus overigens beter toepasbaar. In een enigszins vergelijkbaar geval aanvaardde de Hoge Raad dit leerstuk bij een fiscalist die had nagelaten een fiscaal gunstiger route te adviseren (het arrest Deloitte Belastingadviseurs/H&H Beheer). Doorslaggevend was dat de cliënt aannemelijk had gemaakt dat hij die route daadwerkelijk had willen én kunnen volgen.
Dat laatste lijkt ook precies te zijn waar het hoger beroep om draaide. De DJ had aan de hand van uitgewerkte reis- en tourschema’s minutieus onderbouwd dat hij zijn optredens zó had kunnen plannen dat hij onder de Amerikaanse fiscale verblijfsdrempel zou zijn gebleven. Daarbij wees hij onder meer op de grote flexibiliteit in zijn boekingen en de mogelijkheid om diverse Amerikaanse optredens te vervangen door optredens in Europa, Azië, Mexico of Canada tegen vergelijkbare inkomsten. Hij stelde dat dit praktisch goed uitvoerbaar was, nu hij destijds feitelijk leefde tussen vliegtuigen en hotels, terwijl zijn partner als model probleemloos met hem mee kon reizen. Ook verwees hij naar latere jaren waarin hij tientallen optredens in de VS verzorgde zonder de fiscale limiet te overschrijden.
Juist daarin lijkt het relevante verschil met de uitspraak van de rechtbank te zitten. Waar de rechtbank het hypothetische alternatief nog onvoldoende concreet achtte, slaagde de DJ er in hoger beroep wel in om dit scenario gedetailleerd en verifieerbaar uit te werken. Het bewijs bleek hier beter gemixt dan in eerste aanleg.
Dit artikel is geschreven door Lotte Warendorf
Om de uitspraak te lezen klik hier.