Is een tussenpersoon aansprakelijk als een cruciale polisvoorwaarde niet expliciet wordt herhaald?
In deze zaak staat de vraag centraal of een assurantietussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden door een verzekerde onvoldoende te informeren over een essentiële voorwaarde voor dekking onder een verzekering. Het geschil vindt zijn oorsprong in waterschade aan opgeslagen goederen als gevolg van een defecte sprinklerinstallatie in een gehuurde loods. De verzekeraar heeft dekking geweigerd omdat de installatie niet was voorzien van een vereist certificaat, zoals voorgeschreven in de polisvoorwaarden.
De verzekerde stelde dat zij niet op de hoogte was van deze certificeringseis en dat de tussenpersoon haar hier niet (voldoende) op had gewezen. Volgens de verzekerde had zij, indien zij tijdig juist was geïnformeerd, maatregelen kunnen treffen, zoals het verkrijgen van certificering of het kiezen van een andere opslaglocatie. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat de tussenpersoon zijn zorgplicht had geschonden.
In hoger beroep heeft de verzekerde echter geen memorie van antwoord genomen. Het hof stelt voorop dat het op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de grieven dient te beoordelen met inachtneming van hetgeen de verzekerde in eerste aanleg naar voren heeft gebracht.
Het hof overweegt daarna dat de zorgplicht van een assurantietussenpersoon inhoudt dat deze moet handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot. Dit omvat onder meer het tijdig informeren van de cliënt over relevante feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de verzekeringsdekking. De omvang van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de opdracht en de kenbare belangen van de cliënt.
Een belangrijk punt in deze zaak is de bewijslastverdeling. De verzekerde draagt de bewijslast van de gestelde tekortkoming. De tussenpersoon dient wel zijn betwisting voldoende te motiveren, maar hoeft deze niet te bewijzen. Het hof oordeelt dat de verzekerde er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de tussenpersoon haar niet (voldoende) heeft geïnformeerd over de certificeringseis. Daarbij speelt een rol dat de tussenpersoon heeft gesteld dat hij de verzekerde bij eerdere gelegenheden en in het kader van andere verzekeringen wel degelijk heeft gewezen op het belang van certificering van installaties. Deze stellingen zijn in hoger beroep niet weersproken.
Ten aanzien van het causaal verband overweegt het hof dat, zelfs indien sprake zou zijn geweest van een tekortkoming, onvoldoende is onderbouwd dat de schade daardoor is veroorzaakt. Het is niet aannemelijk geworden dat de vereiste certificering nog tijdig kon worden verkregen of dat de verzekerde bij juiste informatie daadwerkelijk andere keuzes zou hebben gemaakt. Hierbij weegt mee dat de verzekerde vaker gebruik maakte van tijdelijke en relatief goedkope opslaglocaties, waarbij minder nadruk lijkt te worden gelegd op verzekeringsvoorwaarden.
Deze teaser is geschreven door Sanne Schauwaert
Om de uitspraak te lezen klik hier