Welke verwachtingen zijn redelijk?
Een zelfstandig airco-installateur loopt ernstig letsel op wanneer hij tijdens zijn werkzaamheden van een ondeugdelijk geprepareerde heftruck met palletkooi valt. In een eerder tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de opdrachtgever 70% van de schade van de installateur moet dragen. De overige 30% blijft wegens eigen schuld voor rekening van de installateur. In dit arrest buigt het hof zich over de schadeomvang, waarbij vooral het verlies aan arbeidsvermogen partijen verdeeld houdt.
Voor de begroting daarvan vergelijkt het hof het inkomen in de feitelijke situatie na het ongeval met het inkomen dat de installateur in de hypothetische situatie zonder ongeval redelijkerwijs zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast rusten in beginsel op de benadeelde, maar aan hem mogen volgens het hof geen strenge eisen worden gesteld. Het is immers de aansprakelijke partij die hem de mogelijkheid heeft ontnomen zekerheid te verschaffen over de hypothetische situatie zonder het ongeval. De uitgangspunten waarop de schadeberekening wordt gebaseerd moeten wel voldoende concreet, navolgbaar en onderbouwd zijn.
De installateur stelt dat zijn onderneming, gelet op de verwachte ontwikkeling van de markt voor airconditioningsystemen, zonder het ongeval aanzienlijk zou zijn gegroeid, met de nodige werknemers. Het hof acht een uitbreiding tot acht arbeidskrachten echter, anders dan de installateur stelt, niet aannemelijk. Hij exploiteerde zijn onderneming ten tijde van het ongeval al negentien jaar zonder personeel en niet is gebleken dat hij concrete uitbreidingsplannen had of de ambitie had een onderneming van die omvang te leiden. Gelet op de groei van zijn onderneming en gunstige ontwikkelingen in de koeltechniekbranche acht het hof een uitbreiding met één werknemer wel een redelijke verwachting. Verder gaat het hof ervan uit dat de installateur het fysiek belastende werk niet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd, maar tot zijn 65e zou hebben voortgezet.
Voor de begroting van het verlies aan arbeidsvermogen is bepalend welke winst hij zonder het ongeval met zijn eigen montage- en installatiewerkzaamheden zou hebben gegenereerd. Het hof is voornemens een rekenkundig deskundige te benoemen die aan de hand van de door het hof vastgestelde uitgangspunten het verlies aan arbeidsvermogen zal berekenen.
Voor de praktijk laat dit arrest zien dat de bewijslast van de hoogte van het verlies aan arbeidsvermogen op de benadeelde rust. Hoewel in dat kader geen al te strenge eisen worden gesteld, zal de benadeelde wel inzicht moeten geven in de periode voor het ongeval en de (redelijke) verwachtingen voor de toekomst. Daarbij zal de rechter niet zonder meer uitgaan van algemene verwachtingen over marktgroei of ondernemingsontwikkelingen. Een rechter zal beoordelen wat de redelijke verwachtingen waren in het specifieke voorliggende geval. Verder laat dit arrest zien dat de fysieke belasting van bepaalde werkzaamheden (mede) bepalend kan zijn voor de looptijd van de schade, nu een rechter kan vaststellen dat het te verwachten valt dat de benadeelde om die reden vóór de pensioengerechtigde leeftijd zou zijn gestopt met werken.
Deze teaser is geschreven door Eunice Blokland
Om de uitspraak te lezen klik hier.