Moet een assurantietussenpersoon uitdrukkelijk waarschuwen wanneer bedrijfsinventaris en goederen niet tegen brandschade zijn verzekerd?
Een recyclingbedrijf liet zijn verzekeringsportefeuille beheren door een assurantietussenpersoon. Voor één van de bedrijfspanden liep aanvankelijk een brandverzekering die dekking bood voor zowel het gebouw als de daarin aanwezige inventaris en goederen. Bij het afsluiten van een nieuwe verzekering werd de dekking beperkt tot het gebouw. Aanleiding daarvoor was een mogelijke overname, waardoor het bedrijf de verzekering van het gebouw wilde scheiden van die van de inventaris en goederen. Partijen spraken af dat over de verzekering van de inventaris en goederen nog een keuze zou worden gemaakt. Aan dit openstaande punt werd in de maanden daarna echter geen opvolging gegeven.
Na een grote brand bleek dat de inventaris en goederen, afgezien van een beperkte afzonderlijke verzekering, niet tegen brandschade waren verzekerd. Het bedrijf stelde dat het nooit bewust voor deze beperkte dekking had gekozen en dat de assurantietussenpersoon niet duidelijk had gewaarschuwd voor het ontstane dekkingsgat. De assurantietussenpersoon voerde daartegen aan dat het bedrijf vanwege de hoge premie bewust had afgezien van aanvullende dekking en wist dat de inventaris en goederen niet waren verzekerd. Dat zou onder meer blijken uit de polisstukken, inspectierapporten en gesprekken die vóór de brand hadden plaatsgevonden.
In dit geval was bij het aangaan van de verzekering nog geen definitieve keuze gemaakt over de inventaris en goederen. Daarom kon de assurantietussenpersoon niet volstaan met het toezenden van polisstukken en inspectierapporten waarin stond dat deze zaken niet waren verzekerd. De tussenpersoon had moeten nagaan of het bedrijf daadwerkelijk wilde afzien van dekking. Dat de gesprekken en waarschuwingen niet schriftelijk waren vastgelegd, betekent op zichzelf echter niet dat de zorgplicht is geschonden. Ook met andere bewijsmiddelen kan worden aangetoond wat tussen partijen is besproken. Centraal staat daarom de feitelijke vraag of het bedrijf vóór de brand uitdrukkelijk is gewezen op het ontbreken van dekking en vervolgens bewust heeft gekozen de inventaris en goederen niet te verzekeren. Het Hof beslist uiteindelijk dat hij het recyclingbedrijf toelaat tot het bewijs van de stelling dat de assurantietussenpersoon haar er na januari 2021 niet uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de inventaris en de goederen niet verzekerd waren en dat zij (dus) ook niet hebben aangegeven dat zij de goederen en de inventaris niet wilden verzekeren.
Deze teaser is geschreven door Sanne Schauwaert
Om de uitspraak te lezen klik hier.