Gerechtshof oordeelt dat kantonrechter te welwillend is geweest en wijst beroep op matiging af
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich in een recent arrest uitgelaten over de vraag of een schilder, die ondeugdelijk verfwerk aan een boot had verricht, een beroep op matiging van de schadevergoeding toekwam.
Op grond van artikel 6:109 BW heeft de rechter de bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen, indien toekenning van de volledige schadevergoeding – gelet op de omstandigheden van het geval, zoals i) de aard van de aansprakelijkheid, ii) de rechtsverhouding tussen partijen, en iii) hun draagkracht – tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
Deze bevoegdheid tot matiging wordt beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 en 6:248 BW). Deze regeling, en dus ook de matigingsbevoegdheid, is bedoeld voor zeer uitzonderlijke gevallen. Daarom moet met de matigingsbevoegdheid terughoudend en zorgvuldig worden omgegaan.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de onverzekerbaarheid van een schade en de wanverhouding tussen een overeengekomen vergoeding en de hoogte van de gevorderde schadevergoeding aanleiding kunnen geven tot matiging (zie ECLI:NL:HR:2018:2320 en ECLI:NL:HR:2024:1384).
In de zaak die bij het hof Arnhem-Leeuwarden voorlag, had de kantonrechter in eerste aanleg aanleiding gezien om de gevorderde schadevergoeding van € 22.579,40 te matigen tot een bedrag van € 12.500.- omdat de schilder had gesteld dat hij mogelijk geen verzekeringsdekking had omdat het schilderwerk op verzoek van de booteigenaar ‘zwart’ zou zijn uitgevoerd. Ook vond de kantonrechter een reden voor matiging in het verschil tussen de overeengekomen vergoeding voor het schilderwerk van € 4.000,- en de gevorderde schadevergoeding.
Het hof gaat niet mee in het oordeel van de kantonrechter. Volgens het hof is de kantonrechter wel erg welwillend geweest. Het hof ziet geen aanleiding voor matiging. In de eerste plaats oordeelt het hof dat niet is komen vast te staan dat het werk ‘zwart’ is uitgevoerd. De aanbetaling door de booteigenaar per bankoverschrijving wijst op het tegendeel. Daarnaast stelt het hof vast dat de schilder in het geheel geen poging heeft gedaan om de schade bij zijn bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar te melden, zodat onzeker is of er daadwerkelijk geen dekking wordt verleend. Ook het verschil tussen de overeengekomen prijs en de gevorderde schadevergoeding vormt volgens het hof geen grond voor matiging. Reden daarvoor is dat een groot deel van de gevorderde schadevergoeding ziet op het verwijderen van het ondeugdelijke schilderwerk en kosten van stalling en transport. Het verschil tussen het bedrag van het opnieuw te verrichten schilderwerk en de aanvankelijk overeengekomen vergoeding minder groot dan het op het eerste gezicht lijkt.
Het hof benadrukt dat bij schuldaansprakelijkheid een beroep op matiging terughoudender moet worden beoordeeld dan bij risicoaansprakelijkheid. Bovendien, zo sluit het hof af, is niet gebleken dat toewijzing van de volledige vordering voor de schilder tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Over zijn draagkracht heeft hij niets gesteld. Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de volledige gevorderde schaddevergoeding wordt toegewezen.
Dit arrest onderstreept dat matiging slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast. Om met succes een beroep te doen op matiging, zal voldoende moeten worden gesteld en bewezen ten aanzien van de omstandigheden van het geval en de gevolgen die volledige toewijzing voor een partij zullen hebben.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet
Om de uitspraak te lezen klik hier