Wanneer leidt voortzetting van een verlieslatende onderneming tot aansprakelijkheid?
In dit arrest van 24 maart 2026 staat centraal wanneer het voortzetten van een verlieslatende onderneming kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling.
De curator houdt de bestuurder van een vennootschap die een indoor kinderspeelparadijs met horecagelegenheid exploiteerde primair aansprakelijk voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW en subsidiair op grond van artikel 2:9 BW. Volgens de curator heeft de bestuurder de onderneming te lang voortgezet, onvoldoende ingegrepen en bovendien paulianeus gehandeld in aanloop naar het faillissement. De rechtbank volgde dat betoog, maar in hoger beroep wijst het hof de vorderingen van de curator alsnog af.
Het hof benadrukt dat het Nederlandse recht in beginsel geen algemene verplichting kent voor een bestuurder om een verlieslatende onderneming te beëindigen of faillissement aan te vragen. Evenmin zijn oplopende schulden en een negatief werkkapitaal op zichzelf voldoende om kennelijk onbehoorlijk bestuur aan te nemen. Van belang is dat de bestuurder maatregelen had genomen om het tij te keren die aanvankelijk tot verbetering leidden, waaronder een verbouwing, eigen investeringen en het realiseren van een hogere omzet.
Daarnaast oordeelt het hof dat, zelfs als het voortzetten van de onderneming al onbehoorlijk zou zijn geweest, niet aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Uit de eigen stellingen van de curator volgde immers dat de vennootschap al vóór de referteperiode in zwaar weer verkeerde. Ook het verwijt van het vestigen van een pandrecht levert volgens het hof geen paulianeus handelen op. De verweten ontvreemdingen en onttrekkingen zijn daarnaast van onvoldoende ernst en financieel belang om kennelijk onbehoorlijk bestuur aan te nemen.
Deze uitspraak onderstreept dat het voortzetten van een verlieslatende onderneming niet zonder meer kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert. Van doorslaggevend belang is of de bestuurder concrete maatregelen heeft genomen om het tij te keren en of de verweten gedragingen een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als de vennootschap al vóór die periode in zwaar weer verkeerde, ligt dat causaal verband minder snel voor de hand.
Deze teaser is geschreven door Eunice Blokland
Om de uitspraak te lezen klik hier.