Stuitingsbrief voldoende voor het doen aanvangen van verjaringstermijn art. 7:942 lid 1 BW?
Een oud-werkneemster van geïntimeerde heeft tijdens haar werkzaamheden een ongeluk gehad, waardoor zij schade heeft geleden. De werkneemster heeft geïntimeerde aansprakelijk gesteld omdat zij niet aan haar verplichting als goed werkgever had voldaan om voor een verzekering met voldoende dekking te zorgen. Tussen de werkneemster en geïntimeerde is een minnelijke regeling tot stand gekomen.
In deze vrijwaringszaak gaat het om de vraag of appellant, als aansprakelijkheidsverzekeraar van geïntimeerde, het bedrag dat geïntimeerde in het kader van de minnelijke regeling aan de werkneemster heeft betaald, moet vergoeden. Appellant vindt van niet en heeft daarvoor in de eerste plaats aangevoerd dat de vordering van geïntimeerde is verjaard. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat de vordering van geïntimeerde niet is verjaard.
In dat kader overweegt het hof dat geïntimeerde de (stuitings)brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet (ook) heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling als bedoeld in de wetsgeschiedenis, dat deze brief de verjaringstermijn van 7:942 lid 1 BW dus niet heeft doen aanvangen en dat de werkneemster geïntimeerde eerst bij brief van 25 juni 2018 aansprakelijk heeft gesteld.
De verjaringstermijn begon daarom pas te lopen op 26 juni 2018 en geïntimeerde heeft appellant binnen de termijn van drie jaren (namelijk op 13 april 2021) in vrijwaring gedagvaard.
In art. 7:942 BW is bepaald dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Deze uitspraak laat zien dat een stuitingsbrief die verjaringstermijn niet doet intreden.
Klik hier om de hele uitspraak te lezen.