Hoge Raad oordeelt over tientallen civiele schadeclaims tegen lift- en roltrapfabrikanten die jarenlang onrechtmatig kartel hebben gevormd
Op 28 november 2025 deed de Hoge Raad uitspraak in een drietal zaken over zogenaamde follow on-vorderingen naar aanleiding van hetzelfde kartel. Hoewel de zaken voortvloeien uit (een schending van) het Europees mededingingsrecht, zijn de uitspraken van de Hoge Raad ook interessant in het licht van het aansprakelijkheidsrecht.
Een follow on-vordering is een civiele schadeclaim die volgt op een eerdere overtreding die al is vastgesteld door een toezichthouder of rechter. In de zaken bij de Hoge Raad ging het om overtreding van het kartelverbod zoals neergelegd in artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De overtreding werd gepleegd door vijf grote lift- en roltrapfabrikanten.
De Europese Commissie legde deze ondernemingen bij beschikking van 21 februari 2007 gezamenlijk boetes op van in totaal € 992 miljoen wegens inbreuken in België, Duitsland, Nederland en Luxemburg. In Nederland bestond het kartel van 15 april 1998 tot 5 maart 2004 en hield het onder meer in dat de betrokken bedrijven de markt verdeelden, aanbestedingen en projecten onderling toewijzen, elkaars klanten respecteerden, niet met elkaar concurreerden bij verkoop, onderhoud en modernisering van liften en roltrappen, en vertrouwelijke prijs- en biedinformatie uitwisselden.
Twee van de lift- en roltrapfabrikanten worden in Nederland civielrechtelijk aangesproken door Stichting De Glazen Lift (DGL) en Stichting Elevator Cartel Claim (ECC). De stichtingen vertegenwoordigen respectievelijk 40 woningcorporaties en 122 bedrijven en andere organisaties. In de procedures hebben de stichtingen gevorderd dat de lift- en roltrapfabrikanten in strijd hebben gehandeld met art. 101 VWEU, althans onrechtmatig hebben gehandeld jegens de woningcorporaties, bedrijven en andere organisaties, en dat zij uit hoofde van art. 6:162 BW, art. 6:102 BW of art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade. Zowel de rechtbank als het hof nemen aansprakelijkheid voor wat betreft het overgrote deel van de claimanten aan.
De Hoge Raad oordeelt met name ten aanzien van twee specifieke onderwerpen. Het ene arrest (ECLI:NL:HR:2025:1761) gaat hoofdzakelijk over het verzoek tot verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het andere arrest (ECLI:NL:HR:2025:1764) gaat over verjaring.
Verzoek verwijzing schadestaatprocedure
De lift- en roltrapfabrikanten stellen zich op het standpunt dat de (enkele) onrechtmatige deelname aan het kartel onvoldoende is voor aansprakelijkheid en dat daarvoor tevens is vereist dat met een van de claimanten een transactie is aangegaan waarover een meerprijs is berekend, althans waarvoor die mogelijkheid voldoende aannemelijk is. De vaststelling van die transactie(s) maakt deel uit van de grondslag waarop de aansprakelijkheid berust, en zonder die vaststelling is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk, aldus de lift- en roltrapfabrikanten.
De Hoge Raad bevestigt dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende is dat de grondslag van aansprakelijkheid vaststaat door onrechtmatige deelname aan het kartel, dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is en dat tijdens de inbreukperiode ten minste één transactie heeft plaatsgevonden tussen een karteldeelnemer en een van de claimanten. Het is niet vereist dat in de hoofdprocedure per transactie al wordt bewezen dat een concrete meerprijs is betaald.
Verjaring
Een aantal van de vorderingen is door het hof aangemerkt als verjaard. Tegen dit oordeel wordt ingebracht dat De verjaringstermijn voor een vordering tot schadevergoeding wegens overtreding van het kartelverbod begint op grond van art. 3:310 lid 1 BW te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. Het gaat daarbij niet om een vermoeden, maar om voldoende zekerheid — zij het geen absolute — dat de schade is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van de karteldeelnemer en dat een rechtsvordering kan worden ingesteld. Wanneer die daadwerkelijke bekendheid bestaat, hangt af van de omstandigheden van het geval.
Bij kartelschade kan die bekendheid in beginsel worden aangenomen op het moment waarop de Europese Commissie haar besluit openbaar maakt, bijvoorbeeld door publicatie van de samenvatting in het Publicatieblad van de EU of plaatsing van de openbare versie van het besluit op haar website, mits de inbreuk is geëindigd. Dat geldt ook als het besluit nog niet definitief is. De nationale rechter mag aan die publicatie het vermoeden ontlenen dat benadeelden over voldoende informatie beschikten om een schadevordering in te stellen; het is aan de benadeelde om gemotiveerd te stellen dat hij pas later daadwerkelijk bekend ishttps://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1761 geworden met zijn schade en de aansprakelijke personen.
Groepsaansprakelijkheid
Tot slot is ook nog interessant de overweging van de Hoge Raad dat een individuele lift- en roltrapfabrikant niet op grond van groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór deelname van die individuele lift- en roltrapfabrikant.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet
Arresten Hoge Raad:
Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761
Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764