Schade verband houdend met herstel van de geleverde zaak, of (wel gedekte) gevolgschade?
Appellant heeft voor de bouw van de kelder van een nieuwe woning een aannemersbedrijf ingeschakeld. De kelder werd gebouwd met geprefabriceerde betonwanden. Het ontwerp van de wanden was afkomstig van een door de aannemer ingeschakeld bedrijf. Enige tijd na oplevering van de woning ontstonden lekkages in de kelder doordat, zo bleek, in de wanden van de kelder te weinig krimpwapening was toegepast en de coating van de wanden niet voldeed. Om dit te verhelpen moesten alle scheuren in de betonwanden worden geïnjecteerd. Om deze scheuren te kunnen bereiken, was het nodig om de voorzetwanden, wandbetimmering, isolatie en het leidingwerk, welke - naar wij begrijpen – niet door de aannemer waren geleverd, ook te verwijderen (en veelal te vervangen).
De aannemer is aansprakelijk bevonden voor het ontbreken van waterdichtheid van de kelder. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de aannemer verleende vervolgens dekking voor de gevolgschade, maar wees onder verwijzing naar de vervangingsclausule dekking voor herstelkosten van de kelder af. In deze clausule is van dekking onder meer uitgesloten schade en kosten die verband houden met het terugroepen, vervangen, verbeteren of repareren van door de verzekerde geleverde zaken. Daaronder begreep de verzekeraar van de aannemer, naast de kosten van het injecteren van de betonwanden, ook de kosten voor het vervangen van de voorzetwanden, wandbetimmering, et cetera.
Na faillissement van de aannemer zijn de aanspraken onder diens verzekering gecedeerd aan appellant. In deze procedure bestaat discussie tussen appellant en de aansprakelijkheidsverzekeraar over de vraag welke schade onder de vervangingsclausule is uitgesloten. Appellant stelt dat door de lekkages de wandbetimmeringen, voorzetwanden, isolatiematerialen en leidingen reeds waren beschadigd. Het strippen van de binneninrichting van de kelder was daarom niet alleen noodzakelijk om de scheuren in de kelderwanden bloot te leggen, maar ook om de als gevolg van de lekkages beschadigde onderdelen te kunnen vervangen. De aansprakelijkheidsverzekeraar betwist dat sprake is geweest van (rechtstreekse) beschadiging van deze onderdelen als gevolg van de lekkages.
Het hof overweegt dat de vervangingskostenclausule moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Partijen hebben niet over de verzekeringsvoorwaarde onderhandeld, waardoor deze uitleg met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.
Bij toepassing van deze maatstaf gaat het hof ten eerst in op het feit dat het gebruikelijk is dat er een vervangingskostenclausule in AVB-polissen wordt opgenomen. De ratio van deze clausule is dat verzekeraars niet hoeven in te staan voor de kwaliteit van het door verzekerde geleverde product (of anders gezegd: voor het primaire contractsbelang). Ten tweede overweegt het hof dat de vervangingskostenclausule restrictief moet worden uitgelegd, omdat het hier gaat om een uitsluitingsclausule.
Het hof oordeelt vervolgens dat de vervangingskostenclausule zo moet worden uitgelegd dat alleen sprake is van schade en kosten die “verband houden met” het herstel van de kelderwanden indien het gaat om schade en/of kosten die rechtstreeks voorvloeien uit de herstelwerkzaamheden, en die niet aanwezig zouden zijn geweest als er geen herstel van de kelderwanden zou hebben plaatsgevonden. De herstelkosten van de aankleding van de kelder zijn dus gedekt indien en voor zover komt vast te staan dat deze kosten (mede) zijn gemaakt als gevolg van waterschade aan deze aankleding; en dus niet slechts in het kader van het herstel van de betonwanden.
Wat in het oog springt bij deze uitspraak is de door het hof, bij toepassing van de vervangingskostenclausule, gehanteerde strikte causaliteitsmaatstaf. In lijn met de asr/Bosporus (ECLI:NL:HR:2021:815) en Supercell II (ECLI:NL:HR:2021:1523) arresten van de Hoge Raad erkent het hof kennelijk dat toepassing van de zogenaamde dominant cause-leer niet zonder meer het uitgangspunt is bij het beoordelen of een voor dekking vereist oorzakelijk verband aanwezig is, maar dat – zoals ook al in het Hogenboom/Unigarant-arrest (ECLI:NL:HR:1993:ZC1045) werd voorgeschreven – het steeds een kwestie van uitleg van de verzekeringsovereenkomst is, mede op basis van de inhoud en de strekking daarvan.
Opvallend is echter dat het hof er vervolgens van uitgaat dat voor toepassing van de clausule een vrij direct causaal verband vereist is, hoewel de tekst van de clausule zelf hier ook ruimte bood voor toepassing bij een minder direct verband. De naar zijn aard ruime causaliteitsmaatstaf zoals deze is vermeld in de vervangingskostenclausule, namelijk schade en kosten ‘die verband houden met’ het herstel, wordt door het hof immers vertaald naar ‘kosten die rechtstreeks voortvloeien uit’ het herstel, wat een veel directer causaal verband suggereert. En dit geldt eens te meer voor de nadere vertaling door het hof naar “kosten die uitsluitend het gevolg zijn van” de herstelwerkzaamheden.
Het is jammer dat het hof niet verder toelicht waarom het beginsel dat uitsluitingen restrictief moeten worden uitgelegd kennelijk van doorslaggevend belang wordt geacht, terwijl het hof nota bene zelf eerst ook de ratio van de vervangingskostenclausule – dat verzekerden zelf dienen in te staan voor de kwaliteit van door hen geleverde zaken – heeft benoemd en ook heeft gewezen op de stelregel uit het arrest Chubb/Dagenstaed (ECLI:NL:HR:2008:BC:2793) dat bij verzekeringsvoorwaarden waarover niet is onderhandeld (zoals in casu) een objectieve uitleg voorop staat. Van die objectieve uitleg lijkt immers weinig overgebleven, waar het hof “verband houdend met” heeft vertaald naar “het uitsluitende gevolg van”.
Deze teaser is geschreven door Sanne van der Plas
Om de uitspraak te lezen klik dan hier.