Is een advocaat aansprakelijk voor de schade die is ontstaan als gevolg van een termijnoverschrijding?
In een verzekeringsprocedure waar appellant werd bijgestaan door een advocaat, stond de vraag centraal of de aanrijding waarbij appellant betrokken was, was geënsceneerd. Volgens de verzekeraars ging het om een fraudeclaim waardoor zij in een procedure schadevergoeding hebben gevorderd, bestaande uit de al betaalde uitkeringen aan appellant. De verzekeraars zijn door de rechtbank in het gelijk gesteld.
Vervolgens heeft de advocaat van appellant verzuimd om de dagvaarding in hoger beroep tijdig aan te brengen. Daarop heeft appellant bij de rechtbank Overijssel een verklaring voor recht gevorderd inhoudende dat de advocaat toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met appellant en dat hij de schade die daardoor is ontstaan moet vergoeden. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen omdat appellant volgens de rechtbank geen reële kans op succes had gehad in hoger beroep.
In hoger beroep krijgt appellant echter deels gelijk. Het hof stelt eerst, in lijn met de uitspraak van de rechtbank, vast dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt. De verklaring voor recht dat de advocaat tekort is geschoten is volgens het hof dan ook toewijsbaar. De vraag die echter resteert is of in hoger beroep in de verzekeringsprocedure ook door het hof zou zijn geoordeeld dat de aanrijding is scène is gezet. Om die vraag te beantwoorden past het hof het kansschade-leerstuk toe.
Volgens het hof kunnen er vraagtekens worden gesteld bij de authenticiteit van het ongeval. Het hof neemt echter ook in overweging dat er een kans bestaat dat het hof in hoger beroep tot bewijslevering zou zijn overgegaan en vervolgens na bewijslevering tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Daarnaast bestaat er volgens het hof een kans dat indien niet zou komen vast te staan dat de aanrijding in scene is gezet, appellant wel zijn mededelingsplicht heeft geschonden met het doel om 1 van de verzekeraars te misleiden. Het hof schat de kans dat de vordering van de ene verzekeraar zou zijn afgewezen (en appellant dus in het gelijk zou zijn gesteld) op 25% en de kans dat de (subsidiaire) vordering van de andere verzekeraar (en appellant dus in het gelijk zou zijn gesteld) zou zijn afgewezen op 15%. De advocaat wordt dan ook veroordeeld om 25% respectievelijk 15% van de schade van appellant te vergoeden.
Het ten onrechte ongebruikt laten verstrijken van een termijn is een beroepsfout. Daar is eigenlijk geen discussie over mogelijk, ook in het onderhavige geval niet. De vraagt komt dan altijd op of de daarmee verloren gegane kans een waarde vertegenwoordigde en er daarmee schade is ontstaan. Die vraag wordt volgens vaste jurisprudentie aan de hand van de ‘trial-within-a-trial -leer’ en ‘verlies van een kans-leer’ beantwoord. Dat kan ertoe leiden dat, zoals in het onderhavige geval, de schade wordt gerelateerd op de grootte van de kans op succes in de gemiste instantie.
Klik hier voor de uitspraak.