Wanneer rechtvaardigt schending van de mededelingsplicht registratie in het IVR en EVR en hoe moet de duur daarvan worden beoordeeld?
In dit arrest van 2 december 2025 buigt het hof Arnhem-Leeuwarden zich over de vraag wanneer een verzekeraar persoonsgegevens mag registreren in het Interne en Externe Verwijzingsregister (IVR en EVR) wegens schending van de precontractuele mededelingsplicht, en hoe de duur van die registratie moet worden beoordeeld.
Een tandarts had bij de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsverzekering nagelaten melding te maken van een eerder verkeersongeval waarvoor zij een letselschadevergoeding van € 447.000 had ontvangen. Nadat de verzekeraar hiervan op de hoogte raakte, volgde registratie in het IVR en EVR voor de maximale duur van acht jaar wegens opzettelijke misleiding bij het aangaan van de verzekering.
Het hof acht deze registratie op zichzelf gerechtvaardigd. Gelet op de heldere formulering van de gezondheidsvragen, het relatief recente en intensieve medische traject en haar achtergrond als tandarts, had het haar duidelijk moeten zijn dat zij deze informatie diende te verstrekken. Onder deze omstandigheden heeft zij niet alle relevante feiten medegedeeld, terwijl zij wist of moest begrijpen dat deze van invloed waren op de beslissing van de verzekeraar om de verzekering al dan niet en onder welke voorwaarden aan te gaan. Daarmee is sprake van schending van de mededelingsplicht met opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW. Dit kwalificeert als een ‘incident’ in de zin van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI) en rechtvaardigt registratie.
Anders ligt dit voor de duur van de registratie. In het kader van het recht van bezwaar en verwijdering onder de AVG dient een concrete belangenafweging plaats te vinden. Hoewel het belang van de verzekeraar en de financiële sector als geheel zwaar weegt, is onvoldoende onderbouwd dat handhaving voor de maximale termijn van acht jaar noodzakelijk is. Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de tandarts, onder meer bij het starten van een eigen praktijk, acht het hof een duur van vier jaar in het IVR en EVR proportioneel.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat opzettelijke schending van de mededelingsplicht opname in het IVR en EVR rechtvaardigt, maar dat de duur daarvan een zelfstandige belangenafweging vergt. Voor de praktijk betekent dit dat verzekeraars niet alleen moeten onderbouwen dat registratie gerechtvaardigd is, maar ook afzonderlijk en concreet motiveren waarom de gekozen registratieduur proportioneel is.
Deze teaser is geschreven door Eunice Blokland
Om de uitspraak te lezen klik hier.