Wanneer is samenwonen dusdanig dat de verzekeraar moet uitkeren?
Een tragisch verkeersongeval kost een bestuurder het leven. De partner van het slachtoffer doet een beroep op de inzittendenverzekering (SVI) voor vergoeding van begrafeniskosten en gederfd levensonderhoud. De verzekeraar weigerde tot uitkering over te gaan, met als argument dat geen sprake was van samenwonen in gezinsverband zoals vereist in de polisvoorwaarden. Daarnaast deed zij een beroep op de alcoholuitsluiting, stellende dat het slachtoffer onder invloed van alcohol had gereden.
Zowel de Rechtbank Rotterdam als het Gerechtshof Den Haag wees de stellingen van de verzekeraar van de hand. Uit verklaringen van getuigen, documentatie van de woningcorporatie en bankafschriften bleek dat de overledene vanaf april 2015 bij zijn partner woonde, huishoudelijke taken verrichtte en bijdroeg aan de gezamenlijke kosten. Dat hij formeel pas later op het adres stond ingeschreven, deed volgens het hof niet af aan de feitelijke situatie van een duurzame samenleving in gezinsverband.
Ook het beroep op de alcoholuitsluiting slaagde niet. De verzekeraar kon niet aantonen dat het slachtoffer op het moment van het ongeval meer alcohol had genuttigd dan wettelijk is toegestaan. Een bloed- of ademonderzoek had niet plaatsgevonden, en de verklaringen over het alcoholgebruik waren te onduidelijk en tegenstrijdig om als voldoende bewijs te gelden. Het hof oordeelde dat de bewijslast bij de verzekeraar lag, en dat hierin niet was voorzien.
Het arrest leert dat verzekeraars bij twijfel over samenwoning niet uitsluitend dienen af te gaan op de formele inschrijving, maar ook acht moeten slaan op de feitelijke omstandigheden. Daarnaast vereist een beroep op uitsluiting, zoals die wegens alcoholgebruik, overtuigend en concreet bewijs om in rechte stand te kunnen houden.
Deze teaser is geschreven door Rosanne Snoek
Om de uitspraak te lezen klik hier.