Wat is het gevolg van de stuitende werking van artikel 3:316 BW na het einde van de collectieve procedure?
In 2005 is een collectieve procedure op de voet van artikel 3:305a (oud) BW gestart tegen gedaagde. In deze collectieve procedure, die op 20 november 2019 is geëindigd, is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor recht verklaard dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld bij het aangaan van bepaalde door haar aangeboden effectenleaseproducten.
Ruim een jaar later, op 24 december 2020, is een procedure tegen diezelfde gedaagde gestart door een individuele belanghebbende. In deze procedure vorderde de belanghebbende schadevergoeding ter zake van twee door hem in 1997 en 1998 met gedaagde gesloten effectenleaseovereenkomsten die in 2002 en 2003 met een restschuld zijn geëindigd. Nadat door de kantonrechter werd geoordeeld dat de vorderingen van de man zijn verjaard en hof tot de conclusie kwam dat van verjaring geen sprake is, wordt de zaak voorgelegd aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad stelt voorop dat het hof terecht als uitgangspunt heeft genomen dat het instellen van de collectieve actie (3:305a (oud) BW) de verjaring van individuele vorderingen die op de collectieve actie aansluiten, heeft gestuit totdat de uitspraak in de collectieve actie in kracht van gewijsde is gegaan. Dit in overeenstemming met artikel 3:316 lid 1 BW, waaruit (onder meer) volgt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis.
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wat het gevolg is de stuitende werking van artikel 3:316 lid 2 BW ná het einde van de collectieve procedure, en hoe lang de verjaringstermijn is die op dat moment is gaan lopen. Uit dit artikel volgt dat in het geval een ingestelde eis niet leidt tot toewijzing, de verjaring binnen zes maanden dient te worden gestuit. Volgens gedaagde had de individuele belanghebbende zijn vordering op de voet van dit artikel 3:316 lid 2 BW binnen zes maanden na het vonnis moeten instellen om verjaring te voorkomen en is gedaagde zodoende te laat.
De Hoge Raad gaat daar niet in mee. Hij oordeelt dat de korte verjaringstermijn van zes maanden niet zou stroken de effectieve en efficiënte rechtsbescherming van individuele belanghebbenden die met de regeling van art. 3:305a BW is beoogd. Artikel 3:316 lid 2 BW mist dan ook toepassing. Volgens de Hoge Raad begint vanaf het toewijzende vonnis in de collectieve actie een nieuwe verjaringstermijn te lopen voor de vorderingen van individuele gedupeerden. Die verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn, maar niet langer dan vijf jaar. Dit oordeel is goed te volgen.
Deze teaser is geschreven door Huug Hieltjes
Om de uitspraak te lezen klik hier