De betekenis van het oordeel in de onderliggende procedure voor de hoofdzaak
Een advocaat heeft een vennootschap bijgestaan in verschillende procedures, waaronder een verzoekschriftprocedure o.g.v. art. 474g Rv tot het verkrijgen van verlof voor executoriale verkoop van inbeslaggenomen aandelen (hierna: “het verzoekschrift”). In de kern gaat deze zaak om de vraag of de advocaat in die procedure het verzoekschrift te laat heeft ingediend en daarmee een beroepsfout heeft gemaakt. De vraag daarbij is of met het oordeel in de onderliggende procedure de beroepsfout in de hoofdzaak een gegeven is.
Ter achtergrond van het geschil is van belang dat de vennootschap meerdere geschillen had met een debiteur. Vanwege die geschillen heeft de vennootschap conservatoir beslag laten leggen op aandelen van de debiteur. Bij arrest van 8 mei 2018 is de debiteur veroordeeld tot betaling aan de vennootschap van een bepaald bedrag. Het arrest is op 23 mei 2018 betekend aan de debiteur.
Op 3 september 2018 heeft de advocaat namens de vennootschap het verzoekschrift ingediend (deze procedure duiden we hierna verder aan als de “onderliggende procedure”). De rechtbank Den Haag heeft de vennootschap niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gelegde beslagen, gelet op artt. 715 lid 3 jo. 474g lid 1 Rv van rechtswege zijn komen te vervallen. Dat is volgens de rechtbank het gevolg van het verzuim om binnen één maand na betekening van het arrest op 23 mei 2018 aan de debiteur het verzoekschrift in te dienen. Hoewel artikel 715 Rv spreekt van ‘een in kracht van gewijsde gegane executoriale titel’ in relatie tot de maandstermijn van artikel 474g Rv, past het volgens de rechtbank in het stelsel van de wet dat de termijn van een maand uit art. 474g Rv aanvangt meteen nadat de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak is betekend en het beslag in de executoriale fase is beland.
De vennootschap heeft de advocaat vervolgens aansprakelijk gesteld voor het te laat indienen van het verzoekschrift. De vraag is of gelet op het oordeel van de rechtbank in de onderliggende procedure de beroepsfout een gegeven is in, wat we aanduiden als, de hoofdzaak. Dat blijkt niet het geval. Het hof komt, net als de rechtbank in eerste aanleg in deze hoofdzaak, tot het oordeel dat de advocaat geen beroepsfout heeft gemaakt. De advocaat mocht volgens het hof in beginsel afgaan op de tekst van art. 715 lid 3 Rv. Een letterlijke uitleg van deze bepaling leidt tot de conclusie dat, als conservatoir beslag is gelegd, de in artikel 474g Rv genoemde termijn pas eindigt nadat de executoriale titel, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, aan de vennootschap is betekend. De termijn loopt dan af één maand na die betekening. Uitgaande van deze letterlijke uitleg heeft de advocaat het verzoekschrift tijdig ingediend.
Deze uitspraak vormt een goed voorbeeld van wat wij ook vaak in de praktijk zien: de uitkomst van de onderliggende procedure zegt nog niet hoe het rechtens of feitelijk echt zit.
Om de uitspraak te lezen klik hier.
Deze teaser is geschreven door Sanne Schauwaert