Wat zijn relevante omstandigheden voor een beroep op artikel 7:930 lid 4 BW?
Eiser in deze zaak heeft op 23 december 2020 een houten bungalow gekocht. Op 1 januari 2023 heeft eiser een (digitale) verzekeringsaanvraag ingediend voor een pakketpolis die dekking biedt voor de opstal en inboedel van de bungalow.
Voor die aanvraag moest eiser een aanvraagformulier invullen. Op een vraag van de verzekeraar heeft eiser bevestigd dat de bungalow goed is onderhouden en dat de bungalow binnen drie maanden na het aanvragen van de verzekering door hem bewoond zou worden. De verzekeraar (een rechtsvoorganger van gedaagde) heeft de verzekeringsaanvraag van eiser automatisch geaccepteerd.
Op 11 februari 2023 heeft er een brand gewoed in de bungalow. Twee dagen later diende eiser een schadeclaim in. Als onderdeel van het onderzoek van een door de verzekeraar ingeschakelde expert, heeft eiser een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat de woning niet goed is onderhouden, niet door eiser wordt bewoond en dat het ook niet mogelijk zou zijn om dat binnen drie maanden te doen.
Op basis van die verklaring stelt de verzekeraar dat eiser de mededelingsplicht uit artikel 7:928 BW heeft geschonden en dat als de juiste informatie was verstrekt, er in het geheel geen verzekering was afgesloten. De door eiser gevraagde dekking wordt om die reden afgewezen op grond van artikel 7:930 lid 4 BW.
In deze procedure vordert eiser onder meer een verklaring voor recht dat de rechtsopvolger van de verzekeraar (gedaagde) de door de brand geleden schade moet vergoeden. Die vordering wordt afgewezen: de rechtbank is van oordeel dat eiser inderdaad zijn mededelingsplicht heeft geschonden en dat voldoende is aangetoond dat gedaagde onder de gegeven omstandigheden en op basis van haar acceptatiebeleid geen verzekering met eiser zou hebben afgesloten als eiser de vragen naar waarheid had beantwoord.
Voor dat oordeel was relevant dat gedaagde had gesteld dat de staat waarin de bungalow zich bevond en de leegstand omstandigheden zijn die een aanmerkelijk verhoogd risico op inbraak, kraak en/of brand (en daarmee op schade) opleveren.
Deze uitspraak laat zien dat de verzekeraar die een beroep wil doen op artikel 7:930 lid 4 BW er goed aan doet omstandigheden te stellen van meer objectieve aard, aangezien daarmee kan worden aangetoond dat een redelijk handelend verzekeraar onder die omstandigheden geen verzekering zou hebben gesloten.
Deze teaser is geschreven door Tim Nelissen
Om de uitspraak te lezen klik hier.