Is het start-up karakter van een onderneming relevant voor de interne aansprakelijkheid van een bestuurder?
Deze zaak gaat over de vraag of geïntimeerde als voormalig bestuurder van twee vennootschappen aansprakelijk is op grond van artikel 2:9 BW, de zogeheten interne aansprakelijkheid.
De vennootschappen vormen samen een start-up in de fintech. Volgens de vennootschappen heeft geïntimeerde zijn medebestuurders bewust misleid over de voortgang van de ontwikkeling van een platform voor particuliere beleggers, of in ieder geval hen daarover ernstig verwijtbaar onjuist geïnformeerd.
Het hof gaat in dit arrest onder meer in op de geldende beoordelingsmaatstaf voor de aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW. Meer algemeen merkt het hof daarover op dat voor het aannemen van die aansprakelijkheid vereist is dat aan de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, en dat die beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van alle omstandigheden van het geval (onder verwijzing naar het Staleman/Van de Ven-arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).
Een meer specifieke vraag waarover geïntimeerde en de vennootschappen twisten, is of het start-up karakter van de door de vennootschappen gedreven onderneming een voor de beoordeling van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW relevante omstandigheid kan zijn.
Het hof sluit dat in het algemeen niet uit, maar denkt daar specifiek voor deze zaak anders over. Het gaat in deze zaak namelijk over het onjuist informeren van medebestuurders, iets dat volgens het hof losstaat van de kwalificatie van de onderneming als start-up. Bovendien, zo merkt het hof nog op, is de vermeende aansprakelijkheid van geïntimeerde gebaseerd op gedragingen of nalatigheden in de ontwikkelfase, en daarmee voordat de onderneming operationeel was en voor start-up kon doorgaan.
Deze teaser is geschreven door Tim Nelissen
Om de uitspraak te lezen klik hier.