Wanneer kan een verzekeraar een belangenbehartiger weigeren en registreren zonder bewezen opzettelijke misleiding?
a.s.r. beëindigde op 29 januari 2026 de samenwerking met Trias c.s. als belangenbehartiger in letselschadezaken en registreerde haar in diverse registers. Daaraan ging een langduriger traject vooraf. a.s.r. had sinds 2022 in tientallen dossiers misstanden gesignaleerd. In een brief van 4 april 2025 legde a.s.r. deze aan Trias c.s. voor. Vervolgens volgden een nadere briefwisseling, een gesprek en een verbeterplan. Toen a.s.r. het vertrouwen niet hersteld zag, beëindigde zij de samenwerking en ging zij over tot interne en externe registraties. Trias c.s. stapte daarop naar de kortgedingrechter en vorderde opheffing van de registraties, hervatting van de samenwerking en rectificatie. Centraal stond de vraag onder welke omstandigheden een verzekeraar een belangenbehartiger mag weigeren en gerechtigd is integriteitsmaatregelen te treffen.
De verwijten van a.s.r. waren gebaseerd op onderzoek in een groot aantal dossiers. Volgens a.s.r. was sprake van een patroon van misstanden, waaronder het dubbel claimen van kosten, het niet of onvolledig verstrekken van relevante (medische) informatie aan verzekeraars en het opvoeren van schadeposten die onvoldoende waren onderbouwd of niet (volledig) voor vergoeding in aanmerking kwamen. Daarnaast werd gewezen op gebrekkige dossiervorming, het insturen van ongestructureerde of dubbele stukken en het onvoldoende specificeren van buitengerechtelijke kosten. Ook stelde a.s.r. dat in sommige gevallen sprake was van “gijzeling” van dossiers, omdat de afwikkeling van de persoonlijke schade van het slachtoffer afhankelijk werd gesteld van betaling van buitengerechtelijke kosten aan Trias c.s.
Trias c.s. voerde als verweer dat geen sprake was van opzettelijke misleiding, maar van menselijke fouten, onoplettendheid en slordigheden. Ook wees zij erop dat een belangenbehartiger afhankelijk is van informatie van cliënten, die onjuist of onvolledig kan zijn. De voorzieningenrechter volgt dat niet. Onder verwijzing naar het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024 oordeelt de rechter dat een verzekeraar een belangenbehartiger mag weigeren als goede redenen bestaan om te vrezen dat de schaderegeling niet goed verloopt of onnodig vertraagt. Opzet is hier niet bewezen, maar de structurele opeenstapeling van ontoelaatbare slordigheden is volgens de rechter genoeg. Bij vonnis van 24 maart 2026 worden de vorderingen afgewezen. De registraties en meldingen blijven in stand.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat een beroep op ‘menselijke fouten’ weinig gewicht heeft als dezelfde fouten zich blijven herhalen. Een belangenbehartiger kan dan niet volstaan met de stelling dat hij afgaat op de informatie van de cliënt. Juist bij zorgvuldige belangenbehartiging mag worden verwacht dat actief wordt doorgevraagd en informatie wordt geverifieerd. Het uitblijven hiervan kan, ook zonder bewezen opzettelijke misleiding, leiden tot beëindiging van de samenwerking en integriteitsmaatregelen.
Deze teaser is geschreven door Rosanne Snoek
Om de uitspraak te lezen klik hier.