Wanneer is een vraag in niet voor misverstand vatbare termen gesteld?
Deze zaak gaat over de precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer. De omvang van die verplichting is geregeld in artikel 7:928 BW. Lid 5 van die bepaling ziet specifiek op feiten over het strafrechtelijk verleden. Uit die bepaling volgt onder meer dat de verzekeringnemer slechts verplicht is dat soort feiten mee te delen voor zover de verzekeraar daar uitdrukkelijk een vraag over heeft gesteld, en bovendien in niet voor misverstand vatbare termen.
De verzekeraar had in dit geval op het aanvraagformulier gevraagd “is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie ter zake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf.” De toelichting voorafgaand aan die vraag benadrukte dat ook feiten over het strafrechtelijk verleden van statutair bestuurders vermeld dienden te worden.
Hoewel de FIOD een aantal maanden voor het invullen van het aanvraagformulier onderzoek had gedaan naar de statutair bestuurder in verband met de verdenking van belastingfraude, was de vraag met “nee” beantwoord.
Ter toelichting op dat antwoord had de (statutair bestuurder van) verzekeringnemer onder meer nog gesteld dat de verdenking onterecht was en dat de FIOD slechts drie ordners had meegenomen na doorzoeking.
Toen de verzekeringnemer uitkering vorderde onder de afgesloten verzekering, wees de verzekeraar dit af met een beroep op schending van de precontractuele mededelingsplicht. Daar stelde de verzekeringnemer dan weer tegenover dat de vraag naar het strafrechtelijk verleden niet zou voldoen aan de eisen van artikel 7:928 lid 5 BW.
Het geschil in cassatie gaat specifiek over de vraag hoe de zinsnede in niet voor misverstand vatbare termen moet worden opgevat. Aan de hand van de wetsgeschiedenis geeft de Hoge Raad daar richting aan: het komt erop aan of het op basis van de gestelde vraag voor de verzekeringnemer niet voor redelijke twijfel vatbaar was dat de verzekeraar een bepaald feit wenste te vernemen.
Daarmee geeft de Hoge Raad uitdrukking aan het met artikel 7:928 BW (door de wetgever) nagestreefde evenwicht. Aan de ene kant is het aan de verzekeraar om heldere vragen te stellen, aan de andere kant zullen verzekeringnemers die vragen welwillend moeten lezen.
Het oordeel van het hof – dat er in deze kwestie redelijkerwijs geen misverstand heeft kunnen bestaan of de verzekeringnemer het feit moest vermelden – geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het daartegen gerichte onderdeel faalt.
Deze teaser is geschreven door Tim Nelissen
Om de uitspraak te lezen klik hier.