CRvB 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1567
Bij langdurige ziekte van de werknemer rusten op de werkgever vergaande re-integratie-inspanningen. De re-integratie is in de eerste plaats gericht op werkhervatting binnen het eigen bedrijf (spoor 1). Wanneer werkhervatting bij de eigen werkgever niet mogelijk of onzeker is, is een tweede spoortraject vereist waarbij re-integratie bij een andere werkgever wordt nagestreefd. Na twee jaar ziekte toetst het UWV of de werkgever voldoende heeft gedaan voor de re-integratie van de zieke werknemer. Wanneer dat niet het geval is, kan een loonsanctie worden opgelegd waarmee de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte met een jaar wordt verlengd.
In een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) stond de vraag centraal of door het UWV terecht een loonsanctie was opgelegd wegens het ontbreken van een bevredigend (re-integratie)resultaat.
Feiten
De werknemer was in dienst als medewerkster verkoop binnendienst voor 24 uur per week. Op enig moment is zij ziek uitgevallen. Voorafgaand aan de ziekmelding werkte de werknemer vier uur per week vanuit huis. In het kader van haar re-integratie is zij vrijwel volledig vanuit huis gaan werken. Aan het einde van de periode van twee jaar ziekte werd door het UWV aan de werkgever een loonsanctie opgelegd omdat volgens het UWV geen sprake was van een bevredigend resultaat.
De Centrale Raad van Beroep
De CRvB overweegt in deze uitspraak dat op grond van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de Werkwijzer Poortwachter sprake is van een bevredigend resultaat, als is gekomen tot een werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Daarbij is van belang dat de werkhervatting een structureel karakter moet hebben. Het moet aannemelijk zijn dat de werknemer de arbeid kan blijven verrichten.
In deze zaak was geen sprake van een bevredigend resultaat omdat de werkhervatting geen structureel karakter had. De werkgever hechtte veel waarde aan fysieke aanwezigheid op kantoor en stond permanent thuiswerken (ook in dit geval) niet toe.
Omdat geen sprake was van een bevredigend resultaat kwam het UWV toe aan een uitgebreide inhoudelijke toetsing van de re-integratie-inspanningen. De CRvB overweegt dat het UWV daarbij terecht tot het oordeel is gekomen dat de werkgever onvoldoende had gedaan. De werkgever had niet onderzocht of er nog andere mogelijkheden waren binnen de organisatie en had geen tweede spoortraject gestart. De loonsanctie was daarom terecht opgelegd.
Loonsanctie voorkomen
Door het UWV wordt geen loonsanctie opgelegd wanneer bij de re-integratie een bevredigend resultaat is bereikt. Zoals ook volgt uit deze uitspraak is daarvan sprake wanneer de werknemer passend werk verricht dat zo dicht mogelijk aansluit bij de resterende mogelijkheden. Van een bevredigend resultaat kan ook sprake zijn wanneer de werknemer passend werk doet met een loonwaarde van meer dan 65% van het oorspronkelijke loon.
Voor beide situaties is dus wel vereist dat de werkzaamheden een structureel karakter hebben: de werknemer moet aansluitend aan de verplichte loondoorbetalingsperiode bij ziekte in de aangepaste arbeid blijven werken. Het uitgangspunt daarbij is dat het om een aanstelling voor onbepaalde tijd gaat. Op dit punt is een onherroepelijke toezegging vereist.
Tot slot
Wanneer een zieke werknemer is hervat in passende arbeid, is het van belang dat mogelijk toch nog aanvullende re-integratie-inspanningen vereist zijn, zoals een uitgebreid onderzoek naar de mogelijkheden binnen de organisatie en een tweede spoortraject. Alleen wanneer de passende arbeid structureel kan worden aangeboden kunnen deze inspanningen door de werkgever achterwege worden gelaten.