Wanneer mag de rechter volstaan met een kansschatting en wanneer moet eerst worden beoordeeld hoe de appelprocedure zou zijn verlopen?
Wanneer een advocaat door het laten verstrijken van een appeltermijn een beroepsfout maakt, rijst de vraag hoe de schade moet worden vastgesteld. In dit arrest benadrukt de Hoge Raad dat de rechter niet direct mag overgaan tot de kansschadeleer, maar eerst dient te beoordelen hoe de appelrechter zou hebben beslist indien het hoger beroep wél tijdig was ingesteld.
De beroepsfout vond haar oorsprong in een geschil na een (vermeende) aanrijding. De cliënt van de advocaat werd door de betrokken verzekeraars beticht van fraude bij een letselschadeclaim na een (al dan niet geënsceneerde) aanrijding. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een geënsceneerd ongeval en veroordeelde de cliënt tot terugbetaling van de uitgekeerde bedragen. De advocaat stelde namens de cliënt hoger beroep in, maar verzuimde de appeldagvaarding tijdig aan te brengen, met als gevolg dat het vonnis onherroepelijk werd.
In de daaropvolgende aansprakelijkheidsprocedure stond vast dat sprake was van een beroepsfout van de advocaat. Het hof paste de kansschadeleer toe en schatte de goede en kwade kansen die de cliënt in hoger beroep zou hebben gehad. Op basis daarvan kende het hof een gedeeltelijke schadevergoeding toe, zonder de cliënt toe te laten tot bewijslevering die mede zag op de hypothetische appelprocedure.
De Hoge Raad corrigeert dit oordeel. De Hoge Raad herhaalt dat bij beroepsaansprakelijkheid wegens het niet tijdig instellen of voortzetten van een rechtsmiddel uitgangspunt is dat moet worden beoordeeld hoe de appelrechter had beslist indien het hoger beroep wél tijdig was ingesteld. Daarbij moet worden uitgegaan van de in die appelprocedure geldende rechtsregels, waaronder die over stelplicht en bewijslevering. Pas wanneer een dergelijke beoordeling niet goed mogelijk is, mag worden overgegaan tot een schatting van de schade aan de hand van goede en kwade kansen.
Nu de cliënt een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod had gedaan dat mede zag op bewijslevering in de hypothetische appelprocedure, had het hof dit in zijn oordeelsvorming moeten betrekken. Door dat na te laten, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Dit arrest onderstreept dat de kansschadeleer niet altijd een verkorte ‘uitweg’ vormt in ingewikkelde zaken. Rechters dienen eerst zo concreet mogelijk te reconstrueren hoe de appelrechter zou hebben beslist, met inachtneming van alle relevante stellingen en bewijsaanbiedingen.
Deze teaser is geschreven door Eunice Blokland
Om de uitspraak te lezen klik hier.