Wat is ‘redelijkerwijs te verwachten’ bij arbeidsvermogensschade als de benadeelde na het ongeval ondernemer wordt?
Een werknemer op Schiphol raakt in 2001 gewond wanneer een vorkheftruck over zijn voet rijdt. Na het einde van zijn arbeidsovereenkomst kiest hij voor het ondernemerschap en neemt hij eind juni 2002 een restaurant in Amsterdam over. Tien jaar later verkoopt hij het restaurant vanwege terugkerende voetklachten. Hoewel de aansprakelijkheid voor het arbeidsongeval in 2010 wordt erkend, blijft het conflict daarmee niet uit: de discussie verschuift naar de vraag hoe de schade door verminderd arbeidsvermogen moet worden begroot.
In eerste aanleg onderbouwt de werknemer zijn vordering vooral met de (verwachte) ondernemersinkomsten uit het restaurant en een beoogde Bed & Breakfast. De rechtbank Amsterdam volgt die uitgangspunten niet en de vorderingen worden afgewezen.
In hoger beroep gooit de werknemer het roer om: zonder ongeval zou hij niet zijn gaan ondernemen, maar in loondienst zijn gebleven. Subsidiair beroept hij zich op het Poolmolen-arrest (ECLI:NL:HR:2017:273). Als het restaurant zonder ongeval nauwelijks iets zou opleveren, zou hij in dat hypothetische scenario weer in loondienst gaan.
Het hof vindt de koerswijziging onvoldoende concreet onderbouwd en acht het waarschijnlijker dat de werknemer ook zonder ongeval het restaurant was begonnen. Het hof schat het hypothetische restaurantinkomen op het minimumloon en acht de werknemer met ongevalsbeperkingen eveneens in staat om op minimumloonniveau te verdienen. Per saldo resteert daarom geen verlies aan verdienvermogen. Ook het beroep op Poolmolen baat hem niet: onvoldoende is geconcretiseerd dat hij zonder ongeval bij tegenvallende resultaten daadwerkelijk naar loondienst zou zijn uitgeweken.
In cassatie klaagt de werknemer dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is: nu het hypothetische restaurantinkomen op minimumloonniveau is begroot, had het hof moeten aannemen dat hij ook zonder ongeval naar loondienst zou zijn uitgeweken. In zijn conclusie plaatst de P-G dit in het kader van vaste rechtspraak: schade wegens verminderd arbeidsvermogen wordt vastgesteld door vergelijking van het inkomen in de feitelijke situatie na het ongeval met het inkomen dat zonder ongeval redelijkerwijs te verwachten was. Die vergelijking vergt een redelijke inschatting van de inkomensontwikkeling, met afweging van goede en kwade kansen. Stelplicht en bewijslast rusten in beginsel op de benadeelde, maar daaraan mogen geen strenge eisen worden gesteld. De rechter heeft daarbij ruime beoordelingsvrijheid, mits het oordeel consistent en begrijpelijk is.
Tegen die achtergrond concludeert de P-G dat de klacht faalt. Het Poolmolen-arrest maakt duidelijk dat eerdere inkomsten slechts een aanknopingspunt zijn; beslissend is wat in het concrete geval redelijkerwijs te verwachten valt. Het hof mocht daarom uitgaan van het ondernemersscenario en het hypothetische inkomen op minimumloonniveau schatten. Dat het hof, mede gezien de koerswijziging in hoger beroep en de gemotiveerde betwisting door de wederpartij, een concretere onderbouwing verlangde, acht de P-G niet onverenigbaar met het uitgangspunt dat aan de benadeelde geen strenge eisen mogen worden gesteld. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat het Poolmolen-arrest met name houvast biedt als voldoende concreet is dat een terugval naar loondienst in het hypothetische scenario daadwerkelijk te verwachten was en niet enkel omdat het ondernemingsscenario weinig of niet meer dan minimumloon zou opleveren.
Deze teaser is geschreven door Isa de Ridder
Om de uitspraak te lezen klik hier.