Rechtbank Amsterdam duidt de reikwijdte van artikel 7:958 BW en stelt duidelijke eisen aan finale kwijting
In december 2025 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld over een kwestie waarin de verzekerde sommen onder twee evenementenverzekeringen niet toereikend waren om de gehele door verzekerde geleden schade te dekken. De verzekeraars beriepen zich op de wettelijke bepaling over onderverzekering en stelden dat de vergoeding moest worden verminderd naar evenredigheid van hetgeen de verzekerde sommen lager zijn dan de schade. De verzekerde kon zich in deze afwikkeling niet vinden en maakte aanspraak op betaling van de volledige verzekerde sommen.
Feiten
Een evenementenorganisatie heeft ten behoeve van een in 2020 gepland evenement via een verzekeringstussenpersoon twee evenementenverzekeringen afgesloten. De een biedt dekking voor artiestenvergoedingen en de ander voor alle overige af te dekken risico’s. De verzekerde sommen waren respectievelijk € 750.000 en € 490.000.
Het geplande evenement kon vanwege de Covid-19 maatregelen geen doorgang vinden. De artiesten- en productiekosten worden geclaimd onder de twee evenementenverzekeringen. Deze worden begroot op respectievelijk € 876.063 en € 1.040.253.
De verzekeraars op de polis hebben de schade vergoed. Daarbij hebben zij de onderverzekeringsregel uit artikel 7:958 lid 5 BW toegepast. Een half jaar later meldt verzekerde zich bij verzekeraars. Hij stelt dat verzekeraars ten onrechte een beroep hebben gedaan op onderverzekering.
Wettelijke onderverzekeringsregel
In artikel 7:958 lid 5 BW is het volgende bepaald:
“Indien het bedrag van de verzekerde som lager is dan de waarde die aan de schadeberekening ten grondslag ligt, wordt de vergoeding volgens de leden 2 en 4 verminderd naar evenredigheid van hetgeen dat bedrag lager is dan de waarde”.
De vraag die in de procedure voorligt, is of deze regel ook geldt voor verzekeringen die geen betrekking hebben op zaken.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is in haar vonnis duidelijk: gelet op de inhoud en de systematiek van artikel 7:958 BW geldt het artikel alleen voor zaken. De evenementenverzekeringen die verzekerde heeft afgesloten, zien niet op een gevaarsobject. Er is ook geen sprake van een belang dat tot een bepaald bedrag beperkt is (zoals bij gebouwen het geval is). Het belang van verzekerde is namelijk afhankelijk het van moment waarop een eventueel wordt gecanceld (last minute annuleren kost meer dan tijdige annulering).
Finale kwijting?
De rechtbank oordeelt ook nog over de door verzekeraars gestelde finale kwijting. Volgens verzekeraars heeft verzekerde ingestemd met een finale afwikkeling en kan hij daarop nu niet meer terugkomen.
De rechtbank volgt verzekeraars hierin niet. Verzekeraars baseren hun standpunt uitsluitend op het feit dat zij in het communicatiesysteem met de verzekeringsmakelaar van verzekerde het vakje “slotbetaling” hebben aangekruist. Dat is niet voldoende om aan te nemen dat verzekerde met finale kwijting heeft ingestemd.
Dat kan ook niet worden afgeleid uit het feit dat de verzekeringsmakelaar niet heeft geprotesteerd tegen het aangevinkte vakje. Daarbij weegt mee dat verzekeraars al eerder een discussie hebben gevoerd met de verzekeringsmakelaar over toepassing van de onderverzekeringsregel op een andere evenementenverzekering, wat maakt dat verzekeraars er juist niet van uit mochten gaan dat de verzekeringsmakelaar (namens verzekerde) akkoord was met finale kwijting.
Slotsom
Kortom: dit vonnis maakt duidelijk dat de onderverzekeringsregel van artikel 7:958 BW geen generiek instrument is dat zonder meer op iedere schadeverzekering kan worden toegepast. Daarnaast onderstreept de uitspraak dat finale kwijting niet lichtvaardig wordt aangenomen. Er zal moeten blijken van een wilsovereenstemming over een definitieve afwikkeling.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet
Om de uitspraak te lezen klik hier