Kan de zoon van de formele bestuurders als feitelijk beleidsbepaler worden beschouwd?
In deze zaak draait het om de vraag of de zoon van de formele bestuurders van een gefailleerde onderneming als feitelijk beleidsbepaler kan worden beschouwd. Is daarvan sprake dan kan hij voor de toepassing van artikel 2:248 BW gelijk worden gesteld met een bestuurder.
In een tussenarrest heeft het hof de stelling van de curator dat de zoon feitelijk beleidsbepaler was voorshands bewezen geacht. Hiervoor wordt verwezen naar het boekenonderzoek van de Belastingdienst, waarin de zoon verklaarde dat hij het bedrijf al geruime tijd voornamelijk alleen runde als een gevolg van de scheiding van zijn ouders en de ernstige gezondheidsproblemen van zijn vader. Daarnaast heeft de zoon tijdens het onderzoek aangegeven dat hij verantwoordelijk was voor de administratie.
De zoon krijgt nog de kans om tegenbewijs te leveren en aannemelijk te maken dat zijn rol anders was dan wat hij eerder heeft verklaard. Onderhavig arrest gaat over de vraag of dit tegenbewijs is geleverd.
Het hof oordeelt in dit kader dat de verklaringen van de zoon bij de Belastingdienst en tijdens het faillissementsonderzoek zwaar wegen, omdat hij zich waarschijnlijk niet bewust was van de vergaande consequenties van zijn uitspraken. Verder bevestigen getuigen dat de zoon als aanspreekpunt fungeerde en dat hij de administratie met hulp van een derde partij voerde.
De getuigenverklaringen afkomstig vanaf de zijde van de zoon maken echter dat er twijfel blijft bestaan over de werkelijke rolverdeling binnen het bedrijf. De vader verklaart dat hij ondanks zijn gezondheidsproblemen altijd betrokken bleef bij de bedrijfsvoering en de uiteindelijke beslissingen nam. Andere getuigen bevestigen verder dat de vader de belangrijkste beslissingen nam en dat de zoon slechts uitvoerend werk deed.
Het hof concludeert dat hoewel de zoon met zijn verhaal de indruk kan hebben gewekt dat hij (bestuurder of in ieder geval) feitelijk beleidsbepaler was, maar dat de reële mogelijkheid open blijft en het hof, hierover twijfelend, niet in voldoende mate kan uitsluiten dat de vader uiteindelijk gewoon de baas bleef, als dominante vader de touwtjes in handen hield en de knopen doorhakte, terwijl de zoon in een ondergeschikte rol alleen maar moest uitvoeren wat de vader niet zelf kon of wilde doen.
De blijvende onzekerheid over de feiten valt uit in het nadeel van de curator, op wie nou eenmaal de bewijslast en daarmee het bewijsrisico rust. De voorshands bewezen geachte stelling is voldoende ontzenuwd en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarin de vordering van de curator tegen de zoon werd afgewezen.
Deze teaser is geschreven door Sanne van der Plas
Om de uitspraak te lezen klik dan hier.