Kan de CAR-verzekeraar zich met succes beroepen op een schending van de mededelingsplicht en risicoverzwaring?
Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2026
In een recent arrest van het hof Amsterdam staat een dekkingsdiscussie tussen een CAR-verzekeraar en diens verzekerde centraal.
De verzekerde – een aannemingsbedrijf – had aanspraak gemaakt op dekking onder diens CAR-verzekering voor schade die is ontstaan aan zeekabels, die bestemd waren voor de bodem van de Waddenzee. Uit onderzoek was gebleken dat iemand gaatjes in de zeekabels had geboord. Het bleef onbekend wie voor de sabotage verantwoordelijk was.
De CAR-verzekeraar wees dekking af om twee redenen:
- In de eerste plaats zou het aannemingsbedrijf niet hebben voldaan aan diens mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering;
- Daarnaast zou ook de in de polisvoorwaarden opgenomen contractuele informatieplicht niet door het aannemingsbedrijf zijn nagekomen;
De schending van de mededelingsplicht
Op grond van artikel 7:928 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is de verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Kortom: op de verzekeringnemer rust een mededelingsplicht.
Van belang is daarbij dat als de verzekeraar gebruikt maakt van een vragenlijst, deze zich er in beginsel niet op kan beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord. Dit volgt uit lid 6 van artikel 7:928 lid 1 BW.
In de zaak die bij het hof Amsterdam voorlag, meende de CAR-verzekeraar dat het aannemingsbedrijf bij het aangaan van de verzekering had moeten mededelen dat bij het leggen van de zeekabels ook varend en/of drijvend materieel zou worden gebruikt, en niet alleen een rupsploeg. Daarbij beroept de CAR-verzekeraar zich op een telefoongesprek met het aannemingsbedrijf, waarin deze zou hebben gezegd dat een rupsploeg zou worden gebruikt.
Het hof komt na een zeer uitgebreide beoordeling tot de slotsom dat géén sprake is van een schending van de mededelingsplicht door het aannemingsbedrijf. Duidelijk is dat veel waarde wordt gehecht aan het feit dat de CAR-verzekeraar het bestek en de bestektekeningen had ontvangen en dat hieruit bleek dat ook varend en/of drijvend materieel zou worden gebruikt. Een deskundig acceptant had, aldus het hof, bovendien uit de stukken redelijkerwijs moeten kunnen begrijpen dat het nodig was om drijvend of varend materieel in te zetten voor het vervoer/de opslag van de kabels tijdens het leggen daarvan met het rupsvoertuig.
Het hof ziet niet in hoe het aannemingsbedrijf had moeten begrijpen dat de vraag die de CAR-verzekeraar telefonisch over het gebruikte voertuig stelde, niet alleen zag op het voertuig dat werd gebruikt om de kabels in te leggen. Verder hoefde – gelet op de door de CAR-verzekeraar gehanteerde vragenlijst – het aannemingsbedrijf niet uit zichzelf mededelingen te doen omtrent het enige tijd onafgedekt liggen van de kabels. Bovendien had ook dit de CAR-verzekeraar kenbaar moeten zijn op basis van het bestek.
De schending van de informatieplicht
Op grond van de polisvoorwaarden rustte op het aannemingsbedrijf ook een meldingsplicht gedurende de looptijd van de verzekering, namelijk in geval van wijzigingen in het bestek, tekeningen, de aard van de werkzaamheden, de methode van uitvoering, inrichting of anderszins van dien aard dat de verzekerde wist of behoorde te begrijpen dat de verzekeraar bij bekendheid daarmee ten tijde van het sluiten van de verzekering de overeenkomst nimmer had gesloten, dan wel de verzekering niet op dezelfde voorwaarden en/of tegen dezelfde premie zou hebben gesloten.
Volgens de CAR-verzekeraar had het aannemingsbedrijf moeten melden dat uiteindelijk toch niet gebruik werd gemaakt van een rupsvoertuig maar van een slee met ploeg. Volgens het hof is deze wisseling niet zodanig dat het verzekerd risico werd gewijzigd. Ook dit dekkingsverweer van de CAR-verzekeraar slaagt dus niet.
Wat leert dit de praktijk?
Voor de praktijk is van belang dat een beroep op schending van de mededelingsplicht niet snel zal slagen wanneer de verzekeraar al over de relevante informatie beschikte, of daaruit redelijkerwijs had moeten begrijpen hoe de situatie in elkaar zat. Dit arrest laat ook zien dat het bij het gebruik van een vragenlijst belangrijk is om gericht en bij voorkeur schriftelijk door te vragen, vooral als de verzekeraar bepaalde risico’s niet wil dekken en die niet direct uit de beschikbare informatie blijken.
Ten aanzien van risicoverzwaring ligt de les voor de hand, maar is zij daarom niet minder relevant: een wijziging moet daadwerkelijk leiden tot een verzwaring van het verzekerde risico. In de praktijk blijkt die beoordeling niet altijd eenvoudig. Van belang is nog wel te vermelden dat de meldplicht bij risicoverzwaring expliciet in de polisvoorwaarden moet zijn opgenomen. Het “nieuwe” verzekeringsrecht (sinds 2006) kent geen wettelijke verplichting daartoe.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet