Wanneer begint de klok te tikken indien gewacht wordt op medisch advies?
X is eigenaar van een uitzendbureau en heeft een aangeboren rugafwijking. Tijdens de aanvraag van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft hij, zowel in een gezondheidsverklaring als tijdens een medische keuring, een vraag naar rugklachten ontkennend beantwoord. Ongeveer zes jaar na de aanvraag meldt hij zich arbeidsongeschikt in verband met rug- en nekklachten.
In deze zaak lijkt geen discussie dat X zijn precontractuele mededelingsplicht – die inhoudt dat je bij het afsluiten van een verzekering verplicht bent om alle voor een verzekeraar relevante informatie te vertellen (zie art. 7:928 lid 1 BW) – heeft geschonden. Het gaat echter om de vraag of de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar X er op tijd op heeft gewezen dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Dit moet namelijk binnen twee maanden nadat de verzekeraar dit heeft ontdekt (zie art. 7:929 lid 1 BW).
In de literatuur wordt betoogd dat de tweemaandentermijn niet reeds begint te lopen wanneer er bij de verzekeraar stukken binnenkomen (per post of per e-mail). Pas wanneer de stukken worden ontvangen door een medewerker van de verzekeraar die onder andere de taak heeft de stukken op ‘verzwijging’ te onderzoeken, of door een medewerker die daartoe bevoegd is, kan van een ‘ontdekking’ in de zin van art. 7:929 lid 1 BW sprake zijn (zie K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Heerlen), Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 258).
Het oordeel van het hof sloot niet aan bij de in de literatuur geschetste lijn, maar de Hoge Raad heeft dit gecorrigeerd. Zo oordeelde het Hof dat de verzekeraar de schending van de mededelingsplicht al zou hebben ontdekt (of behoren te ontdekken) op het moment dat de verzekeraar een brief van de orthopedisch chirurg gericht aan de medisch adviseur had ontvangen. De Hoge Raad oordeelt echter dat ontvangst van informatie door de medisch adviseur in de regel niet als ‘ontdekking’ kan gelden, mede vanwege diens beroepsgeheim. Pas nadat de medisch adviseur zijn advies heeft uitgebracht, kan de verzekeraar beoordelen of de mededelingsplicht destijds is geschonden. De termijn van art. 7:929 lid 1 BW vangt daarom pas aan op het moment waarop de verzekeraar deze beoordeling met gepaste voortvarendheid heeft kunnen verrichten, aldus de Hoge Raad.
Uit het arrest volgt dat wanneer de verzekeraar voor de beoordeling van een mogelijke schending van de mededelingsplicht een medisch adviseur inschakelt, de tweemaandentermijn van art. 7:929 lid 1 BW in elk geval pas begint te lopen nadat het medisch advies is ontvangen. De Hoge Raad lijkt de termijn bovendien ruimer te nemen dan eerder in de literatuur werd bepleit. Waar in de literatuur werd uitgegaan van het moment waarop de stukken door een daartoe bevoegde medewerker werden ontvangen, suggereert het oordeel van de Hoge Raad dat deze medewerker vervolgens ook de benodigde tijd moet krijgen om de stukken met ‘gepaste voortvarendheid’ te beoordelen, voordat van ‘ontdekking’ in de zin van art. 7:929 lid 1 BW kan worden gesproken.
Deze teaser is geschreven door Lotte Warendorf
Om de uitspraak te lezen klik hier.