Op welk moment moet sprake zijn van samenwoning?
In 2006 heeft een eenzijdig verkeersongeval met een motor plaatsgevonden. Als gevolg daarvan is de bestuurder van de motor na enkele weken overleden en heeft de passagier zwaar letsel opgelopen. De passagier is daardoor volledig arbeidsongeschikt geraakt, en ontvangt daarom sinds 2008 een WIA-uitkering.
In deze procedure vordert het UWV een verklaring voor recht dat het op grond van art. 99 lid 1 WIA tegenover de WAM-verzekeraar van de bestuurder recht heeft op verhaal van de kosten die het UWV ten behoeve van de passagier heeft gemaakt.
Relevant is dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat wanneer op het tijdstip van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid de benadeelde en de aansprakelijke persoon met elkaar zijn gehuwd, dan wel samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, aan het UWV geen verhaalsrecht op de voet van art. 99 lid 1 WIA toekomt op de aansprakelijke persoon, en daarmee ook niet op diens WAM-verzekeraar.
De Hoge Raad werkt die uitzondering in dit arrest verder uit door te overwegen dat het met het oog op de hanteerbaarheid van het verhaalsrecht niet van belang is of de benadeelde en de aansprakelijke persoon nog met elkaar gehuwd zijn, dan wel nog samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, op het tijdstip van het ontstaan van het recht van de benadeelde van de uitkering op grond van de WIA dan wel op het tijdstip van de door het UWV op grond van de WIA aan de benadeelde verrichte betalingen. Beslissend is dus of de betrokken personen op het moment van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis samenwonen, ook als zij op het moment dat er daadwerkelijk uitkeringen op grond van de WIA plaatsvinden dus niet meer samenwonen, bijvoorbeeld omdat een van hen komt te overlijden of als zij daarna uit elkaar gaan
Deze procedure krijgt nog een vervolg omdat het cassatieberoep van de WAM-verzekeraar slaagt. Anders dan het hof is de Hoge Raad van oordeel dat de WAM-verzekeraar voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de bestuurder en de passagier ten tijde van het ongeval samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, met als consequentie dat de WAM-verzekeraar alsnog moet worden toegelaten tot bewijslevering daarvan.
Klik hier om de uitspraak te lezen.