Hoe ver gaat de motiveringsplicht van de rechter bij een matigingsoordeel en moet hierbij de volledige schade worden beoordeeld?
Deze zaak betreft de aansprakelijkheid van voormalige bestuurders van een Curaçaose stichting. De stichting had tot doel het verstrekken van voorzieningen bij ziekte aan on- en minvermogenden en (gepensioneerde) overheidswerknemers en hun gezinsleden.
Het hof oordeelde dat de voorzitter en secretaris van het bestuur nalatig zijn geweest. De schadevergoeding werd echter gematigd tot NAf 4 miljoen vanwege het ontbreken van persoonlijk gewin en hun bestuurlijke naïviteit. Het hof heeft verder niet alle schadeposten beoordeeld, maar beperkte zich tot vier posten die samen meer dan NAf 4 miljoen bedroegen.
Bij het matigingsoordeel heeft het hof laten meewegen dat het bijzondere tijden waren onder het toenmalige kabinet-Schotte. Een kabinet ongekend van aard in het Koninkrijk der Nederlanden. Drie leden van dit kabinet, waaronder de minister-president, zijn later tot een gevangenisstraf veroordeeld. De keuze door het kabinet-Schotte van nieuwe bestuurders was vaak niet gelukkig. Ook de keuze voor de voorzitter – die werd aangezocht door zijn vriend, tevens minister van Economische zaken en Ontwikkeling – en de secretaris was niet gelukkig. De voorzitter was oogarts en had geen bestuurlijke ervaring. De man die hem heeft aangedragen is overigens verdwenen, naar verluidt wegens belastingschulden.
In deze procedure stelt de stichting dat het hof in zijn matigingsoordeel onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid, de ernst van het handelen van de voorzitter en de omvang van de schade. De stichting voert aan dat (i) de matigingsbevoegdheid vooral bedoeld is voor risicoaansprakelijkheid, terwijl het hier gaat om schuldaansprakelijkheid, (ii) er een hoge mate van schuld is van de voorzitter en (iii) dat diens handelen de ten koste is gegaan van de belastingbetaler.
De Hoge raad oordeelt dat het hof niet tot nadere motivering van zijn oordeel was gehouden. Het behoefde ook niet met zoveel woorden in te gaan op de stellingen van de stichting. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat matiging niet is beperkt tot of met name is bedoeld voor gevallen van risicoaansprakelijkheid of niet zou kunnen worden toegepast bij een hoge mate van schuld. Het matigingsoordeel is bovendien voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Uit het oordeel blijkt dat het hof zich realiseert dat de voorzitter een hoge mate van schuld treft en zijn handelen ten koste is gegaan van de belastingbetaler.
De stichting voert verder aan dat het hof eerst de volledige schade had moeten vaststellen alvorens tot matiging over te gaan. Het oordeel zou in ieder geval onvoldoende zijn onderbouwd. Zonder duidelijkheid over de totale omvang van de schade, is niet begrijpelijk waarom het toekennen van een hogere schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
De Hoge Raad oordeelt dat een rechter, hoewel het gebruikelijk is om eerst de schade vast te stellen, hiervan kan afwijken. In dit geval zijn niet alle schadeposten behandeld, maar stelde het hof vast dat de schade meer was dan de vier behandelde posten. Het besloot verder dat een hogere schadevergoeding dan NAf 4 miljoen tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Dit oordeel impliceert dat toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, ongeacht de precieze hoogte daarvan. Deze motivering is toereikend.
Een matigingsoordeel is dus niet beperkt tot zaken betreffende risicoaansprakelijkheid en kan ook worden toegepast bij een hoge mate van schuld . Verder hoeft een rechter hierbij niet de totale omvang van de schade te bepalen. Het is voldoende om vast te stellen dat toekenning van de volledige schadevergoeding – ongeacht de precieze hoogte – tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden
Klik hier voor de uitspraak:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2024:1384&showbutton=true&idx=10