Wanneer volstaat een schriftelijke mededeling voor stuiting?
Recent lag bij de Hoge Raad de kwestie voor of een investeringsmaatschappij de verjaring van haar ontbindingsvordering met betrekking tot een overeenkomst van opdracht tegen haar voormalige advocaat en diens kantoor tijdig had gestuit. De maatschappij meende dat de advocaat een beroepsfout had gemaakt en verzond in 2013 een aansprakelijk. In die brief behield zij weliswaar alle rechten en weren” voor, maar deed zij geen expliciete mededeling tot ontbinding. In 2018 volgde een mail waarin zij ondubbelzinnig het recht voorbehield op schadevergoeding en terugbetaling onder verwijzing naar artikel 3:317 BW, maar wederom zonder een expliciet voorbehoud van het recht op ontbinding. In een latere procedure vorderde zij alsnog ontbinding van de overeenkomst en restitutie van betaalde declaraties. Het hof oordeelde echter dat het recht tot ontbinding al in 2018 was verjaard.
In cassatie stond centraal of deze correspondentie een geldige stuitingshandeling vormde in de zin van artikel 3:317 BW. De investeringsmaatschappij betoogde dat haar schriftelijke mededeling van voorbehoud van rechten voldoende was voor ontbinding, omdat een ontbindingsvordering volgens haar onder het lichte stuitingsregime van artikel 3:317 lid 1 BW zou vallen. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ondubbelzinnig ontkennend.
Een vordering tot ontbinding kan volgens de Hoge Raad niet worden aangemerkt als een vordering tot nakoming in de zin van lid 1. Dat lid ziet uitsluitend op vorderingen tot nakoming en kan worden gestuit middels een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Ontbindingsvorderingen vallen echter onder het zwaardere regime van lid 2, dat slechts stuiting toelaat indien een schriftelijke aanmaning binnen zes maanden wordt gevolgd door een daad van rechtsvervolging. Een schriftelijke mededeling met een voorbehoud van rechten is daarmee onvoldoende om een ontbindingsvordering te stuiten. Bovendien waren de formuleringen in de brieven te algemeen en gericht op schadevergoeding, niet op ontbinding.
De Hoge Raad benadrukt dat het arrest van 11 januari 2002 dat niet anders maakt (ECLI:NL:HR:2002:AD4919). In dat arrest werd aanvaard dat artikel 3:317 lid 1 BW toepassing kan vinden wanneer ontbinding wordt gecombineerd met een vordering tot schadevergoeding. Dat scenario doet zich hier echter niet voor, zodat het lichtere stuitingsregime geen rol speelt.
De ontbindingsvordering was daarmee definitief verjaard. De uitspraak maakt duidelijk dat het recht tot ontbinding niet slechts met een mededeling kan worden gestuit, maar een meer formele rechtsvervolging vereist.
Deze teaser is geschreven door Eunice Blokland
Om de uitspraak te lezen klik hier