Bestuurders persoonlijk aansprakelijk door onverantwoord ondernemerschap?
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2024
Twee bestuurders van een failliete vennootschap worden door de curator persoonlijk aangesproken voor het boedeltekort van de failliete vennootschap. Volgens de curator hebben de bestuurders hun taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en is dit een belangrijke oorzaak geweest van het faillissement waardoor zij persoonlijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort (artikel 2:248 lid 1 BW).
De curator verwijt de bestuurders in de eerste plaats dat zij niet hebben voldaan aan hun administratieplicht (artikel 2:10 BW) en hun publicatieplicht (artikel 2:394 BW). Uit artikel 2:248 lid 2 BW volgt dat in dat geval wordt vermoed dat een onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
Het staat vast dat de bestuurders hun publicatieplicht hebben geschonden. De bestuurders stellen op hun beurt echter dat de oorzaak van het faillissement niet is gelegen in het schenden van de publicatieplicht (of de administratieplicht). Zij worden door het hof in hun stellingen gevolgd. Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat, zoals door de bestuurders is aangevoerd, het faillissement is ontstaan door een combinatie van i) een beginnende onderneming en de kwetsbaarheid die daarbij hoort, ii) een ondernemingsplan dat moeilijker uitvoerbaar bleek dan verwacht en iii) omdat eerdere werkervaring van groter belang was dan gedacht. Het vermoeden van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is met de voornoemde aangevoerde omstandigheden door de bestuurders weerlegd.
De curator heeft echter ook gesteld dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur eveneens sprake is omdat de bestuurders onverantwoord ondernemerschap hebben vertoond. Zij zouden zich niet aan hun eigen plannen en begrotingen hebben gehouden en zouden hebben nagelaten in te grijpen toen bleek dat de onderneming geen geld genereerde.
Het hof overweegt dat van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben als het bestuur van de failliete vennootschap. Het hof is van oordeel dat dit door de curator onvoldoende is onderbouwd. Weliswaar hebben de bestuurders hun financier en ook zichzelf een te optimistisch toekomstbeeld voorgehouden, echter, niet gebleken is dat het ondernemingsplan van aanvang af zo gebrekkig was dat de bestuurders daaraan niet hadden mogen beginnen of dat zij andere keuzes hadden moeten maken in reactie op de omstandigheden. In dat kader acht het hof het ook van belang dat een financier bereid was geld te verstrekken op basis van het ondernemingsplan, terwijl zij gezien haar doelstelling ervaring had met het soort project waarmee de failliete vennootschap aan de slag ging. Al met al komt het hof tot de slotsom dat de bestuurders niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort.
Het arrest laat zien dat een vermoeden van een kennelijk onbehoorlijk bestuur vanwege het schenden van de administratie- en/of publicatieplicht relatief eenvoudig zou moeten kunnen worden ontzenuwd door voldoende omstandigheden te noemen die tot het faillissement zouden hebben kunnen leiden.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet