Slaagt beroep op schending administratieplicht en kennelijk onbehoorlijk bestuur?
Dit arrest bevestigt dat een curator haar standpunt goed moeten onderbouwen, zowel ten aanzien van een beroep op schending van de administratieplicht (art 2:10 BW) als een beroep op kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 lid 1 BW).
De administratieplicht (art 2:10 BW
Curatoren doen regelmatig een beroep op schending van de administratieplicht. Als een dergelijk beroep slaagt, hebben zij namelijk een voorsprong in hun bewijspositie ten aanzien van hun beroep op kennelijk onbehoorlijk bestuur van art. 2:248 lid 1 BW (zie ook r.o. 3.3. van het Hof).
Van schending van de administratieplicht is echter niet snel sprake. De administratieplicht brengt mee dat de administratie zodanig georganiseerd moet zijn dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kenbaar zijn. Dit is een open norm en de invulling daarvan hangt af van de organisatie – zo zal een bakker een andere administratie voeren dan een multinational. Het Hof verwoordt het als volgt in r.o. 3.4: “Artikel 2:10 BW heeft in essentie interne betekenis. De aan deze verplichting te stellen eisen hangen mede af van de aard en de opzet en de organisatie van de onderneming van de rechtspersoon en haar werkzaamheden.”
In onderhavig arrest had de curator niet voldoende onderbouwd waarom de bestuurders de administratieplicht hadden geschonden Dit betekent dat de curator onbehoorlijk bestuur zal moeten aantonen om zijn vordering tot vergoeding van het faillissementstekort te laten slagen.
De strenge eisen voor een beroep op kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 lid 1 BW)
Ten aanzien van dit standpunt ziet het Hof aanleiding om allereerst uitvoerig – en in een duidelijke en begrijpelijke taal – uit te leggen dat hieraan zeer strenge eisen worden gesteld. Wij wijzen op enkele passages:
“(r.o. 3.13) (…) Het is niet de bedoeling [de bestuurders] te straffen voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten: met het woord ‘kennelijk’ wordt tot uitdrukking gebracht dat slechts een in het oog springende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking moet worden genomen.
(…)
[Het] is niet bedoeld de bestuurders een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen in het zakelijke vlak van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van het bestuursbeleid van belang zijn. Voor onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:248 BW is meer nodig, in het bijzonder dat onverantwoordelijk is gehandeld met de objectief te bepalen wetenschap dat de schuldeisers daarvan de dupe zouden kunnen worden. Van onbehoorlijke taakvervulling is alleen sprake wanneer de bestuurders in de gegeven context onverantwoordelijk hebben gehandeld of anderszins hun taak hebben verwaarloosd, terwijl zij wisten of konden weten dat de schuldeisers daarvan uiteindelijk de lasten zouden moeten dragen. Uitgangspunt bij dit alles is dat een bestuurder moet kunnen ondernemen - risico’s moet kunnen nemen - en zich niet al te risicomijdend, bangelijk of defensief moet gaan gedragen.”
Na deze overwegingen verbaast het niet dat het Hof oordeelt dat de curator onvoldoende heeft aangevoerd voor het standpunt dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Omstandigheden dat 1) de bestuurders met de doorstart risico hebben genomen; 2) het bedrijfsplan niet (tot in detail) is uitgevoerd; 3) er meer personeel is ingeschakeld dan in dat plan werd voorzien en 4) er niet navenant meer omzet is gegenereerd, duidt op zichzelf niet op onbehoorlijk bestuur.
Om deze uitspraak te lezen klik dan hier.
Deze teaser is geschreven door Lotte Warendorf