Hoe maak je een hypothetische situatie aannemelijk?
Appellanten in deze zaak waren 20%-aandeelhouders van een bedrijf in de frambozen business. Tussen appellanten en andere aandeelhouders van het bedrijf bestond een groot aantal geschillen, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat de Ondernemingskamer een commissaris (geïntimeerde) heeft benoemd.
Meer dan een jaar na die benoeming hebben de aandeelhouders van het bedrijf geïntimeerde ook nog een opdracht verstrekt om een aandelenverkoop te begeleiden (als corporate finance adviseur).
Volgens appellanten is geïntimeerde tekort geschoten in de nakoming van die opdracht, dan wel in haar rol als door de Ondernemingskamer aangestelde commissaris. Appellanten vorderen in deze procedure vergoeding van de daardoor geleden schade.
Over de aansprakelijkheid van geïntimeerde als commissaris is het hof kort: een door appellanten afgegeven vrijwaring staat daaraan in de weg.
Als het gaat om de aansprakelijkheid als opdrachtnemer, oordeelt het hof dat geïntimeerde kan worden verweten dat zij appellanten tijdens het verkoopproces niet (tijdig) heeft geïnformeerd over de verdeling van het cash/debt-saldo 2020, terwijl zij wist dat die informatie voor appellanten van belang was in het kader van de verkoop van de aandelen.
Toch wijst het hof de op die tekortkoming gebaseerde vorderingen af. Volgens het hof is het vereiste causaal verband tussen het schenden van de informatieplicht en de door appellanten gestelde schade niet komen vast te staan.
Of, en zo ja, in welke mate een tekortkoming of onrechtmatige handeling schade heeft veroorzaakt, moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld door een vergelijking te maken tussen de feitelijke (financiële) situatie zoals die nu is, en de (financiële) situatie zoals die in het hypothetische scenario – zonder de tekortkoming of onrechtmatige daad – zou zijn geweest (zie bv. HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:269).
Bron van discussie is vaak de aannemelijkheid van het gestelde hypothetische scenario, dat voor zover mogelijk moet worden afgeleid uit feiten die zich wél hebben voorgedaan. De uitspraak van het hof laat dat goed zien.
Appellanten hadden namelijk aangevoerd dat als zij eerder waren geïnformeerd, zij de koper wellicht hadden kunnen bewegen om in te stemmen met een andere (de oorspronkelijke) transactiestructuur. Het hof oordeelt echter dat geïntimeerde dat met succes heeft betwist, onder meer door te wijzen op een e-mail waaruit bleek hoe belangrijk de overeengekomen transactiestructuur voor de koper was. Het door appellanten gestelde hypothetische scenario was daarom niet aannemelijk geworden.
Deze teaser is geschreven door Tim Nelissen
Om de uitspraak te lezen klik hier.