Kan de verzekerde merkelijke schuld worden verweten?
Rechtbank Gelderland 30 oktober 2024
Recent heeft de rechtbank Gelderland zich gebogen over de vraag of een boerenbedrijf merkelijke schuld kon worden verweten omdat slijpwerkzaamheden waren verricht nabij een roostervloer boven de mestkelder van een koeienstal. Door de slijpwerkzaamheden was brand ontstaan. Volgens de verzekeraar van het boerenbedrijf was sprake van merkelijke schuld van het boerenbedrijf, waardoor dekking onder de Bedrijven Compact Polis zou ontbreken.
Het beroep op merkelijke schuld door de verzekeraar was gebaseerd op de polisvoorwaarden. In de verzekeringswet (titel 7:17 BW) is sinds 2006 namelijk alleen schade veroorzaakt met opzet of door roekeloos handelen van dekking uitgesloten (artikel 7:952 BW). Een verzekeraar die zich wil beroepen op het ontbreken van dekking vanwege merkelijke schuld (een lichtere schuldgraad), zal daarvoor dus een grond in de polisvoorwaarden moeten opnemen. Dat is toegestaan omdat artikel 7:952 BW van regelend recht is.
Het begrip ‘merkelijke schuld’ is in 2003 uitgelegd door de Hoge Raad in het Amev/Meyerink-arrest. In de zaak die bij de Hoge Raad voorlag, waren door een verzekerde laswerkzaamheden uitgevoerd op minder dan één meter afstand van een lekbak met wasbenzine, waarbij brand was ontstaan. Eerder hadden vergelijkbare werkzaamheden niet tot brand geleid. De Hoge Raad neemt merkelijke schuld van de verzekerde aan. Hij overweegt dat van een verzekerde mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van gedragingen waarvan hij weet of behoort te weten dat een aanmerkelijke kans bestaat dat deze tot schade zal leiden. Volgens de Hoge Raad is aldus sprake van merkelijke schuld als het gaat om een gedraging, ook al is de verzekerde zich daarvan niet bewust, naar objectieve maatstaven een zodanig aanmerkelijke kans op schade met zich brengt dat de betrokken verzekerde zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn, en door zich van die gedraging niet te onthouden, in ernstige mate tekortschiet in de voorkoming van schade.
De rechtbank Gelderland heeft de maatstaf uit het Amev/Meyerink-arrest toegepast op de feiten uit de zaak. Door de verzekeraar was aangevoerd dat sprake was van omstandigheden die zich goed lieten vergelijken met de omstandigheden uit de Amev/Meyerink-zaak. Het uitvoeren van brandgevaarlijk slijpwerk op een afstand van maximaal 60 centimeter ten opzichte van brandbare mestgassen zou volgens de verzekeraar niet minder laakbaar zijn dan het uitvoeren van laswerkzaamheden op minder dan een meter afstand van een lekbak wasbenzine.
Volgens de rechtbank is echter sprake van een wezenlijk verschil. Anders dan in de Amev/Meyerink-zaak, stond in de zaak die bij de rechtbank voorlag niet vast dat de verzekerde zich bewust was geweest van de aanwezigheid van brandgevaarlijke mest(gassen) in de nabijheid van zijn slijpwerk. Kort voor het verrichten van de slijpwerkzaamheden waren in het deel van de stal waar de werkzaamheden zouden worden verricht, reinigings- en desinfectiewerkzaamheden uitgevoerd. Het aanwezige mestschuim zou zijn ‘teruggespoten’ waardoor er een waterlaag op zou zijn komen te liggen. De verzekerde verkeerde in de veronderstelling dat de aanwezige mest daardoor niet meer brandbaar zou zijn.
Hierdoor wist de verzekerde, aldus de rechtbank, niet dat zijn gedraging een aanmerkelijke kans op schade met zich bracht. Het was ook niet komen vast te staan dat hij dat behoorde te weten. Door de verzekeraar zou bovendien niet zijn aangetoond dat ook na de uitgevoerde reinigings- en desinfectiewerkzaamheden nog sprake was van een aanmerkelijke kans op brandschade waardoor de verzekerde zich had behoren te onthouden van het verrichten van slipwerk of was gehouden aanvullende voorzorgsmaatregelen te treffen. Het beroep op merkelijke schuld is door de rechtbank om deze redenen afgewezen.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet