Is een collectieve onderbouwing van de schade voldoende voor het aannemen van aansprakelijkheid?
Het gaat in deze zaak om een groep eisers die tijdens een re-integratieproject van de gemeente Tilburg tussen 2004 en 2010 blootgesteld zouden zijn aan chroom-6. De eisers voerden werkzaamheden uit op het terrein van NedTrain, waarbij zij verf van oude treinstellen verwijderden. In deze procedure vorderen de eisers een verklaring voor recht dat NedTrain aansprakelijk is en vorderen zij schadevergoeding als gevolg van de blootstelling.
De rechtbank oordeelde dat NedTrain op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is. Het hof oordeelt in hoger beroep echter anders. Volgens het hof hadden eisers hun vorderingen onvoldoende concreet onderbouwd. In plaats van per individu aan te geven wanneer en hoe zij aan chroom-6 waren blootgesteld en welke gezondheidsklachten zij hadden ontwikkeld, baseerden de eisers zich op algemene stellingen. Gelet op het gemotiveerde verweer van NedTrain, had het op hun weg gelegen om per individu te stellen en te onderbouwen (1) in welke periode(s) hij/zij heeft deelgenomen aan het project, (2) welke werkzaamheden hij/zij in welke periode heeft verricht en (3) aan welke gezondheidsklachten hij/zij lijdt. Die gezondheidsklachten hadden zij bovendien met medische stukken moeten onderbouwen. Het hof wees de vorderingen dan ook af.
Eisers gaan in cassatie en klagen onder meer dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht en een te hoge drempel heeft gelegd voor het aannemen van aansprakelijkheid. Volgens eisers heeft het hof miskend dat ‘in de eerste fase van de stelplicht’, de betwisting van NedTrain (nog) geen rol speelt. De Procureur-Generaal oordeelt dat het hof met juistheid onder ogen heeft gezien dat stellen en betwisten communicerende vaten zijn: ‘een gedegen onderbouwde betwisting van de stellingen van de partij op wie de stelplicht rust, kan meebrengen dat hogere eisen worden gesteld aan de onderbouwing van die stellingen’. Nu het hof specifiek heeft aangeduid wat zij nog van eisers verwachtte en geen van de stellingen van eisers voldoet aan het gestelde individualiseringsvereiste, is het oordeel van het hof volgens de Procureur-Generaal niet onbegrijpelijk. De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep ongegrond is en adviseert de Hoge Raad om het beroep te verwerpen.
Hiermee bevestigt de Procureur-Generaal de regel dat voor het aannemen van aansprakelijkheid een duidelijke onderbouwing per individu vereist is. Algemene verwijzingen naar blootstelling en mogelijke gezondheidsschade is – in het geval van een gemotiveerde betwisting door de werkgever- onvoldoende.
Klik hier voor de uitspraak.
Deze teaser is geschreven door Jessica Stolk.