Wie moet bewijzen wat de oorzaak was?
Deze uitspraak gaat over de bewijslast van het zich voordoen van een verzekerde gebeurtenis.
Een Amsterdamse VVE had een waterschade (lekkage) gemeld onder haar opstalverzekering. De verzekeraar weigerde dekking omdat er volgens haar geen sprake was van een plotselinge gebeurtenis.
Over de precieze oorzaak van de lekkage verschillen de VVE en de verzekeraar van mening. Volgens de VVE was de oorzaak een lekkende kraan, volgens de verzekeraar was dat regenwater dat door constructiefouten en slecht onderhouden balkons naar binnen kon dringen.
Ter ondersteuning van hun stellingen hadden beide partijen een expertiserapport overgelegd. Toch komt de rechtbank uiteindelijk tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld wat de exacte oorzaak van de waterschade is geweest.
En omdat de rechtbank enerzijds van oordeel is dat de VVE aan haar stelplicht heeft voldaan ten aanzien van haar stelling dat de waterschade is veroorzaakt door een lekkende kraan, maar anderzijds ook van oordeel is dat de verzekeraar die stelling voldoende gemotiveerd heeft betwist, geeft de rechtbank een bewijsopdracht aan de VVE. Aangezien de VVE aanspraak maakt op een uitkering onder de opstalverzekering, is het immers aan de VVE om te bewijzen dat zich een gebeurtenis heeft voorgedaan waartegen de verzekering dekking biedt (artikel 150 Rv). Slaagt de VVE niet in de bewijsopdracht, dan zal de vordering worden afgewezen.
Het is een bekend fenomeen: twee partijen leggen in een procedure eigen, op zichzelf geloofwaardige expertiserapporten over waarin verschillende conclusies worden getrokken. Deze uitspraak laat zien hoe dat kan uitpakken, en wie uiteindelijk het risico draagt als er – ook na bewijslevering – onduidelijkheid blijft bestaan over het te bewijzen feit.
Deze teaser is geschreven door Tim Nelissen
Om de uitspraak te lezen klik hier.