Oneerlijke prijsafspraak tussen advocaat en cliënt?
In een medische aansprakelijkheidszaak schakelt een vader hangende het hoger beroep een advocaat in om de behandeling van de zaak van zijn dochter verder op zich te nemen. In de overeenkomst van opdracht met de vader heeft de advocaat een prijsafspraak opgenomen (hierna: ‘het prijsbeding’). Na enige jaren bijstand te hebben verleend legt de advocaat na een tussen haar en de vader gerezen geschil, haar werkzaamheden neer en stuurt zij een financiële afrekening. De vader laat deze echter onbetaald, waarna de advocaat bij de kantonrechter vordert dat de vader zal worden veroordeeld om het bedrag aan openstaande declaraties te voldoen. De kantonrechter wijst de vordering grotendeels toe. De vader gaat in beroep.
Het hof stelt allereerst vast dat het prijsbeding een kernbeding is en dat deze volgens de wet duidelijk en begrijpelijk moet zijn geformuleerd. Het hof beantwoordt vervolgens de vraag of dit het geval is. Daartoe oordeelt zij allereerst dat er sprake van een onevenwichtigheid in kennis van het rechtsgebied tussen de advocaat en de vader. Daarnaast wordt volgens het hof in de overeenkomst niet duidelijk gemaakt hoe het uurtarief zich verhoudt tot het verhalen van de buitengerechtelijk advocaatkosten op de verzekeraar. Daardoor kan het zo zijn dat vader meer moet betalen dan de advocaat namens hem op de verzekeraar kan verhalen. Verder is ook niet duidelijk of het uurtarief dat de advocaat in rekening brengt bij de verzekeraar mag afwijken van het uurtarief dat de advocaat bij vader in rekening brengt en of een dergelijke afwijking vooraf door vader moet worden goedgekeurd . Het prijsbeding zegt ook niets over de situatie waarin de verzekeraar niet de volledige aansprakelijkheid erkent. Verder heeft de advocaat ook geen (globale) schatting van de te besteden tijd gegeven, waardoor het voor de vader onduidelijk bleef waartoe hij zich had verbonden. Tot slot stelt het hof nog vast dat de advocaat vader niet had geïnformeerd over de financiële kant van de zaak nu er geen tussentijdse declaraties werden verzonden. De voorgaande omstandigheden maken volgens het hof dat het prijsbeding niet transparant en niet voldoende duidelijk is.
Vervolgens oordeelt het hof dat het prijsbeding ook oneerlijk is en dus op grond van artikel 6:233 sub a BW vernietigbaar. Hier voegt het hof nog aan toe dat de advocaat ook niet heeft voldaan aan gedragsregels 23 en 26 die gaan over de verplichting van de advocaat om zijn cliënt behoorlijke te informeren en geïnformeerd te houden. De consequentie die het hof aan het voorgaande verbindt is dat het gevorderde bedrag aan openstaande declaraties wordt gematigd.
Deze uitspraak bevestigt maar weer eens dat advocaten ervoor zorg moeten dragen dat in het geval zij een opdracht aanvaarden, de financiële afspraken die zij maken, zowel met de verzekeraar als met de cliënt, voldoende duidelijk en transparant moeten zijn. Dit geldt met name in het geval zij een relatie aangaan met een consument, in welk geval de advocaat niet alleen aan de gedragsregels gebonden is maar ook aan de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Klik hier voor de uitspraak.
Deze teaser is geschreven door Jessica Stolk.