Is een voormalig bestuurder aansprakelijk voor het boedeltekort?
Op 5 februari 2019 wordt een onderwijsinstelling (hierna: “de School”) in staat van faillissement verklaard. Uit het vonnis blijkt dat de School voorafgaand aan het faillissement door een (op zijn zachtst gezegd) roerige periode ging: (i) de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) is een strafrechtelijk onderzoek gestart in verband met (onder meer) belastingfraude en witwassen, (ii) de accreditatie van de School is ter discussie komen te staan én (iii) een aan de School gelieerde stichting is in staat van faillissement verklaard. Na het faillissement is bovendien een van de bestuurders van de School strafrechtelijk veroordeeld voor het feitelijke leidinggeven aan de School, die zich schuldig heeft gemaakt aan (onder meer) belastingfraude en gewoontewitwassen.
Op die voormalig bestuurder heeft de curator in de onderhavige procedure zijn pijlen gericht. De bestuurder wordt door de curator aangesproken tot betaling van het boedeltekort (van EUR 802.830) in het faillissement. Dit doet de curator (primair) middels een Peeters/Gatzen-vordering, op grond waarvan hij bevoegd is om, ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad in te stellen. De rechtbank oordeelt vervolgens dat (i) het gevorderde boedeltekort niet toewijsbaar is, maar (ii) er wel sprake is van onrechtmatige betalingen door de School, waarvoor de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Dit vonnis is interessant omdat het duidelijk maakt welke hobbels genomen moeten worden om een bestuurder aansprakelijk te stellen en welke eisen daarbij aan de stelplicht en bewijslast worden gesteld. Zo wordt de vordering tot toewijzing van het boedeltekort afgewezen omdat de curator het causaal verband en de schade onvoldoende heeft toegelicht. Dat lijkt mede te komen door de gemotiveerde betwisting door de bestuurder, die met succes wees op andere oorzaken voor het faillissement. Ondanks dat vaststond dat de bestuurder verwijten konden worden gemaakt ten aanzien van zijn handelen, strandt de vordering van de curator daar toch.
Dat is echter niet het geval met betrekking tot de onrechtmatige betalingen. Het ging hier om betalingen die door de School aan een aan haar gelieerde stichting werden gedaan. Deze betalingen kon de bestuurder niet verantwoorden, wat hem des te meer werd aangerekend omdat de stichting werd bestuurd door zijn dochter. Dit vonnis laat zien dat de bestuurder bij het voeren van zijn verweer niet achterover kan leunen, maar tekst en uitleg moet geven over zijn handelen. Dat de rechtbank oordeelt dat de bestuurder in dit kader een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat er causaal verband bestaat omdat de gezamenlijke schuldeisers hierdoor benadeeld zijn, is goed te volgen en verbaast, gezien het eerdere strafvonnis, ook niet.
Deze teaser is geschreven door Huug Hieltjes
Om deze uitspraak te lezen klik dan hier.