Welk belang is gediend met betalingen?
Het gaat in deze zaak om de vraag of vanuit de door geïntimeerden bestuurde vennootschap zonder deugdelijke rechtsgrond bedragen aan de toenmalige bestuurders (geïntimeerden) zijn overgemaakt, en of geïntimeerden daarvoor aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:9 BW.
Op basis van artikel 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon verplicht tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor die aansprakelijkheid is volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Volgens het hof kan een bestuurder die wordt verweten bedragen aan de vennootschap te hebben onttrokken, die interne aansprakelijkheid ontlopen door voor die betalingen of onttrekkingen een redelijke verklaring te geven.
Het hof komt tot de conclusie dat voor het grootste deel van de onttrokken bedragen een redelijke verklaring is gegeven. Voor twee onttrekkingen echter niet.
De eerste is een verrekening van een lening die één van de bestuurders aan de vennootschap had verstrekt met privé uitgaven van diezelfde bestuurder. Het hof acht vooral relevant dat de vennootschap en die bestuurder eerder overeen waren gekomen dat de vennootschap die lening niet langer hoefde af te lossen, zodat er geen grond meer was om te verrekenen.
De tweede is het door de vennootschap laten aflossen van een persoonlijke lening van één van de bestuurders. De bestuurders hadden dat proberen te ondervangen met een bestuursbesluit op grond waarvan de vennootschap zich verplicht de door de bestuurder af te lossen bedragen te betalen. Volgens het hof is dat echter geen deugdelijke grondslag. Vooral niet omdat niet is gebleken dat met de betalingen enig zakelijk belang van de vennootschap was gediend.
Die oordelen bevestigen dat het behartigen van persoonlijke belangen van bestuurders een omstandigheid is die snel kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW.
Deze teaser is geschreven door Tim Nelissen
Om de uitspraak te lezen klik hier.