Is de verzekeraar gehouden dekking te verlenen als causaal verband tussen alcoholgebruik en de schade ontbreekt?
Rechtbank Noord-Nederland 27 mei 2026
In haar vonnis van 27 mei 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland zich uitgelaten over de vraag of het ontbreken van causaal verband tussen het gebruik van alcohol en het ontstaan van schade meebrengt dat een verzekeraar zich niet kan beroepen op een alcoholclausule in de polisvoorwaarden.
Feiten
In de zaak die voorlag, was een motorvrachtschip tegen de gesloten sluisdeur van een sluis aangevaren. Zowel de sluisdeur als het motorvrachtschip (en mogelijk ook een ander schip) raakten hierdoor beschadigd. De eigenaar van het motorvrachtschip sprak haar verzekeraar aan tot vergoeding van de schade. De verzekeraar weigerde dekking te verlenen: gebleken was dat de stuurvrouw op het moment van de aanvaring een niet-toegestane hoeveelheid alcohol in haar bloed had. Onder die omstandigheden zou dekking zijn uitgesloten. De polisvoorwaarden bepalen in dit verband:
“Niet verzekerd is: schade ontstaan terwijl degene die het vaartuig bestuurt na gebruik van alcohol op grond van wettelijke regels niet mag varen of na gebruik van drugs of medicijnen niet in staat moet worden geacht aan het scheepvaartverkeer deel te nemen. Ook is er geen dekking als degene die het vaartuig bestuurt weigert mee te werken aan een adem- of urinetest of bloedproef. Deze bepalingen gelden niet als u [lees: verzekeringnemer] aannemelijk maakt dat u geen verwijt kan worden gemaakt, bijvoorbeeld omdat u niet op de hoogte was van het gebruik van deze middelen, dit niet wilde en dit niet kon voorkomen.”
Geen causaal verband?
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de stuurvrouw van het schip onder invloed van alcohol verkeerde op het moment van de aanvaring. De stuurvrouw is in Duitsland bovendien in eerste aanleg strafrechtelijk veroordeeld voor het nalatig in gevaar brengen van het scheepvaartverkeer. De Duitse strafrechter overwoog dat de stuurvrouw door het gebruik van alcohol in slaap is gevallen en dat het alcoholgebruik (en niet bijvoorbeeld een medische aandoening) als oorzaak van de schade moet worden aangemerkt.
Desondanks stelt de eigenaar van het schip zich op het standpunt dat geen causaal verband bestaat tussen het alcoholgebruik van de stuurvrouw en het ontstaan van de schade. Uit een rapport van de cardioloog van de stuurvrouw zou – aldus de verzekeringnemer – kunnen worden afgeleid dat een hartziekte van de stuurvrouw tot bewustzijnsverlies heeft geleid.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Niet alleen meent de rechtbank dat het ontbreken van causaal verband onvoldoende is onderbouwd, ook oordeelt zij dat causaal verband volgens de polisvoorwaarden niet vereist is. Dit volgt uit het woord “terwijl” in de zinsnede “Niet verzekerd is: schade ontstaan terwijl degene die het vaartuig bestuurt na gebruik van alcohol op grond van de wettelijke regels niet mag varen…”. Door niet het woord “doordat” op te nemen, heeft de verzekeraar duidelijk een discussie over causaal verband willen vermijden. Dat is, aldus de rechtbank, een redelijke uitleg, nu vanuit maatschappelijk oogpunt moet worden voorkomen dat een verkeersdeelnemer onnodig risico neemt door alcoholgebruik.
Redelijkheid en billijkheid?
De rechtbank vervolgt dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) onaanvaardbaar is dat de verzekeraar zich op de alcoholuitsluiting beroept. Met een verwijzing naar het Fjordenpaardenarrest herhaalt de rechtbank dat zij veel gewicht toekent aan het maatschappelijk belang op grond waarvan bewijsproblemen en discussies over causaal verband zo veel mogelijk moeten worden voorkomen. Ook benadrukt de rechtbank dat de verzekeraar het verzekerd risico in de polisvoorwaarden heel duidelijk heeft begrensd.
Wel merkt de rechtbank op dat het onder bijzondere omstandigheden zo kan zijn dat een beroep op de alcoholclausule niet opgaat. Bijvoorbeeld wanneer het alcoholgebruik in de gegeven omstandigheden onmogelijk in verband met de schade kan worden gebracht.
Kan de verzekeringnemer een verwijt worden gemaakt?
De alcoholclausule bepaalt dat dekking “herleeft” als de verzekeringnemer aannemelijk kan maken dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, “bijvoorbeeld omdat u niet op de hoogte was van het gebruik van deze middelen, dit niet wilde en dit niet kon voorkomen”. De bewijslast rust in dit verband op de verzekeringnemer.
De verzekeringnemer heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Volgens de rechtbank is in dit kader doorslaggevend dat de verzekeringnemer wist dat de stuurvrouw in de voorafgaande drie jaar meermaals tijdens haar werkzaamheden positief op alcohol was getest. De verzekeringnemer moest er daarom ernstig rekening mee houden dat sprake was van een structureel risico. Hij had de stuurvrouw niet meer achter het roer mogen zetten, temeer omdat zijn eigen alcoholbeleid juist voorschrijft dat een bemanningslid in zo’n geval direct uit functie wordt ontheven.
Wat leert het vonnis ons?
Uit het vonnis kan worden afgeleid dat de formulering van een alcoholclausule van doorslaggevend belang kan zijn. Waar een clausule aanknoopt bij schade die ontstaat terwijl de bestuurder onder invloed is, hoeft de verzekeraar in beginsel niet ook nog aan te tonen dat het alcoholgebruik de schade heeft veroorzaakt. Daarmee wordt het belang onderstreept van een duidelijke afbakening van het verzekerd risico in de polisvoorwaarden.
Daarnaast laat het vonnis zien dat een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid bij dit soort clausules in beginsel niet snel zal slagen. De rechtbank hecht veel gewicht aan het maatschappelijke belang om varen onder invloed tegen te gaan en aan het voorkomen van lastige bewijsdiscussies over de vraag of het alcoholgebruik daadwerkelijk tot de schade heeft geleid.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet