Op 1 juli 2025 is de Wet opheffing verpandingsverboden in werking getreden. Deze wet, die Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) wijzigt, maakt een einde aan contractuele bepalingen die de overdracht of verpanding van zakelijke geldvorderingen uitsluiten. Vanaf 1 oktober 2025 geldt dit ook voor in bestaande contracten opgenomen bepalingen. De wetgever beoogt een verruiming van het kredietpotentieel voor ondernemingen, in het bijzonder het mkb.[1]
Wat zijn verpandingsverboden?
In de praktijk bevatten veel commerciële contracten clausules die de overdracht of verpanding van vorderingen uitsluiten. Tot de inwerkingtreding van de Wet opheffing verpandingsverboden konden partijen namelijk op grond van artikel 3:83 lid 2 BW overeenkomen dat een geldvordering niet overdraagbaar of verpandbaar was. Hiervan werd op grote schaal gebruikgemaakt. Ondernemers met een centrale administratie wilden voorkomen dat zij, na overdracht van een vordering of bij uitwinning van een pandrecht, geconfronteerd zouden worden met een andere partij dan hun oorspronkelijke contractpartner, bijvoorbeeld een bank of een verzekeraar. Zij hechtten daarom sterk aan een eenduidig betalingsadres met een vaste schuldeiser, zonder onzekerheid over wie gerechtigd was tot ontvangst.[2]
Hoewel het vanuit debiteursperspectief begrijpelijk was, leidde deze praktijk tot een ongewenst neveneffect. De geldvorderingen konden niet worden ingezet als zekerheid voor de nakoming van betalingsverplichtingen onder een kredietfaciliteit. Voor ondernemingen betekende dit feitelijk een beperking van hun kredietruimte, waardoor zij minder financiering konden aantrekken en minder flexibel konden opereren.
De nieuwe wet beoogt dit te verhelpen door ervoor te zorgen dat ondernemers hun vorderingen vrij kunnen inzetten als zekerheid, bijvoorbeeld voor securitisatie, factoring en het verkrijgen van financiering.
Wat regelt de nieuwe wet?
De wetgever introduceerde hiervoor een nieuw lid 3 in artikel 3:83 BW. Dit artikel bepaalt dat een vordering die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf altijd overdraagbaar en verpandbaar moet zijn. Een contractueel beding dat dit verhindert – geheel of gedeeltelijk – is voortaan nietig. Dit betekent dat zulke bepalingen juridisch geen werking meer hebben en ondernemers hun zakelijke vorderingen vrij kunnen gebruiken als zekerheid voor financiering.
De wet verbiedt zowel goederenrechtelijke als verbintenisrechtelijke bepalingen die de overdracht of verpanding van zakelijke vorderingen beperken. Ook indirecte belemmeringen voor overdracht of verpanding, zoals boeteclausules of vervroegde opeisbaarheid bij verpanding, opzeggingsrechten bij verpanding en geheimhoudingsbedingen die verpandingen indirect belemmeren, zijn niet toegestaan.
De wet ziet niet op afspraken tussen de schuldeiser en een derde partij, zoals een financier. Een voorbeeld hiervan is de negative pledge clausule (waarin de schuldeiser zich tegenover de financier verbindt om geen zekerheden te verstrekken aan andere crediteuren). Omdat deze afspraken niet zien op de overdraagbaarheid of verpandbaarheid van een vordering zelf, maar op de verhouding tussen de schuldeiser en diens financier, vallen zij buiten de reikwijdte van de wet en blijven zij geldig.
Bescherming van de debiteur: schriftelijkheidsvereiste
Om de positie van de debiteur te beschermen, introduceert de wet een schriftelijkheidsvereiste.
Volgens het nieuwe artikel 3:94 lid 5 BW en artikel 3:239 lid 5 BW moet de debiteur schriftelijk worden geïnformeerd over de overdracht of verpanding van de vordering van zijn schuldeiser. Voorheen was dit vormvrij en kon dit bijvoorbeeld ook mondeling. Zonder deze schriftelijke mededeling blijft betaling door de debiteur aan de oorspronkelijke schuldeiser bevrijdend. Dit vereiste geldt uitsluitend voor zakelijke geldvorderingen.
Overgangsregeling
Vanaf 1 oktober 2025 zijn ook de overeengekomen verpandingsverboden in contracten van vóór 1 juli 2025 nietig. De korte termijn is bewust gekozen om het mkb snel toegang te geven tot extra kredietruimte, die naar verwachting vrij gaat komen door de nieuwe wet, waarvan de omvang wordt geschat op bijna 1 miljard euro.[3]
Voorbeeld: toepassing in de retailpraktijk
Een landelijke schoenenwinkelketen levert op rekening aan franchisehouders. In de contracten is opgenomen dat de vorderingen niet mogen worden verpand. Hierdoor kon de keten deze vorderingen tot voor kort niet inzetten als zekerheid voor haar betalingsverplichtingen onder de kredietfaciliteit bij de bank. Met de inwerkingtreding van de Wet opheffing verpandingsverboden verandert dit. Vanaf 1 oktober 2025 is een dergelijk verbod nietig (art. 3:83 lid 3 BW), mits het gaat om zakelijke geldvorderingen. Door deze vorderingen te verpanden én de franchisehouders, als debiteuren, schriftelijk te informeren (art. 3:239 lid 5 BW), vergroot de winkelketen haar kredietruimte. Dit biedt financiële ruimte om bijvoorbeeld ruimer in te kopen voor het nieuwe seizoen.
Uitzonderingen
De wet bevat enkele gerichte uitzonderingen, opgenomen in artikel 3:83 lid 4 BW:
- geldvorderingen uit hoofde van betaal- en spaarrekeningen;
- gesyndiceerde leningen;
- vorderingen op clearinginstellingen, centrale tegenpartijen en centrale banken; en
- G-rekeningen voor belasting- en premieafdracht.
Deze uitzonderingen zijn bedoeld om het betalingsverkeer en bestaande administratieve praktijken niet te verstoren.
Wat betekent dit voor ondernemers?
De wet biedt ondernemers meer flexibiliteit en toegang tot financiering. Geldvorderingen kunnen zonder contractuele belemmeringen worden verpand. Wel moeten ondernemers hun contracten herzien en zorgen voor een correcte administratieve afhandeling van mededelingen aan debiteuren.
Voor ondernemers die eerder beperkt werden door contractuele bepalingen, opent deze wet nieuwe mogelijkheden. Het is raadzaam om bestaande overeenkomsten te beoordelen op verboden en de interne processen voor zover nodig aan te passen aan het schriftelijkheidsvereiste.
Conclusie
De Wet opheffing verpandingsverboden is een ingrijpende maar noodzakelijke modernisering van het goederenrecht. Zij versterkt de positie van ondernemers in het handelsverkeer en vergroot hun toegang tot krediet. Tegelijkertijd blijft de rechtszekerheid voor debiteuren gewaarborgd. Voor ondernemers is het moment aangebroken om hun contractpraktijk en financieringsstrategie hierop af te stemmen.
Wilt u weten wat deze wet concreet betekent voor uw onderneming? Neem contact met ons op, wij helpen u graag bij het beoordelen van de contracten en het inrichten van een toekomstbestendige financieringsstructuur.
[1]Kamerstukken II 2019/20, 35482, nr. 4, p. 1 (Mvt).
[2]Kamerstukken II 2019/20, 35482, nr. 4, p. 1-2 (Mvt).
[3] Kamerstukken II 2019/20, 35482, nr. 4, p. 2 (Mvt).