Vanwege de doelen op het gebied van verduurzaming in Nederland wezen wij al eerder op de groeiende focus op de energiebesparingsplicht. 2030 – het jaar waarin de CO2-uitstoot moet zijn gehalveerd – komt steeds dichterbij. Het handhaven van de energiebesparingsplicht wordt daarmee nog belangrijker. Desondanks blijkt er weinig van strenge handhaving. Een van de oorzaken lijkt onvoldoende handhavingscapaciteit. Toch verscheen er een uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin werd geoordeeld over de vraag wie er verantwoordelijk was voor de overtreding van de energiebesparingsplicht: de huurder of de verhuurder?
Casus
In dit geval exploiteerde een huurder een fitnessruimte in een gebouw dat zij van de eigenaar huurde. Het bevoegd gezag constateerde twee overtredingen van de energiebesparingsplicht. De spouwmuur had geïsoleerd moeten zijn en het ventilatiesysteem had automatisch in- en uit moeten schakelen. Deze maatregelen hadden moeten worden getroffen nu de terugverdientijd daarvan vijf jaar of minder was. Dat volgt uit de energiebesparingsplicht.
De huurder kreeg een last onder dwangsom opgelegd door het bevoegd gezag. Als de huurder de maatregelen niet alsnog treft, moet zij een boete betalen. De huurder was het daar niet mee eens.
Standpunt huurder
Volgens de huurder had zij het niet in haar macht om de overtreding te beëindigen en de maatregelen te treffen. Zij mocht dat niet op basis van de huurovereenkomst, stelt ze. De verhuurder daarentegen had als eigenaar wel zeggenschap over de spouwmuur en het ventilatiesysteem. Daarom had het bevoegd gezag de eigenaar moeten aanschrijven. De huurder wijst op de huurovereenkomst, waarin onder andere staat dat zij geen veranderingen mag aanbrengen aan het gehuurde – zoals het boren van gaten in de gevels – zonder toestemming van de verhuurder. Daarnaast blijkt uit de huurovereenkomst dat de installaties voor risico van de verhuurder zijn.
Uitspraak rechter
De rechtbank stelt zich de vraag wie in dit geval de overtreder van de energiebesparingsplicht is. Dat is ‘degene die de inrichting drijft’. (Zie voor toelichting op dit punt ook ons eerdere artikel.) Die vraag staat volgens de rechter los van de vraag of diegene het ook in haar macht heeft om de overtreding te beëindigen (zoals aangevoerd door de huurder). Het is van belang om vast te stellen wie er feitelijke zeggenschap heeft over de inrichting.
De rechter vindt dat de huurder in dit geval terecht als drijver is aangemerkt, omdat zij de inrichting – de fitnessruimte – exploiteert. In die hoedanigheid heeft zij feitelijke zeggenschap over de activiteiten en de bedrijfsvoering van de inrichting, aldus de rechter. De gebouweigenaar heeft met deze activiteiten niets te maken. Het feit dat de verhuurder toestemming moet geven voor het boren in de gevels en verantwoordelijkheid heeft voor de installaties in het gehuurde, maakt niet dat de verhuurder feitelijke zeggenschap krijgt over de inrichting (lees: de fitnessruimte). Het beroep door de huurder op de eerder genoemde bepalingen uit de huurovereenkomst maakt dat niet anders.
De rechter bespreekt vervolgens eerdere rechtspraak van de Raad van State. Ten eerste wijst zij op een uitspraak waaruit volgt dat een last onder dwangsom alleen kan worden opgelegd aan de overtreder die het in haar macht heeft om de last (lees: de maatregelen aan de spouwmuur en het ventilatiesysteem) uit te voeren. Het is de vraag of de huurder deze maatregelen kon uitvoeren.
Daartegenover zet de rechter de rechtspraak waaruit volgt dat een contractuele verhouding tussen een verhuurder en huurder geen beletsel is om een last uit te voeren en dat het ontbreken van eventuele ‘privaatrechtelijke toestemming’ – in dit geval de toestemming van de eigenaar om bijvoorbeeld in de gevel te boren – in beginsel voor risico van de overtreder komt.
De rechter concludeert dat de huurder in dit geval niet heeft onderbouwd dat zij geen toestemming had van de verhuurder. Desgevraagd kon de huurder op de zitting ook niet bevestigen dat die toestemming was gevraagd. De rechter overweegt dat het feit dat er toestemming nodig is, nog niet betekent er nooit aan de last onder dwangsom kan worden voldaan. Volgens de rechter had de huurder het in haar macht om de overtreding te beëindigen.
Conclusie
Ondanks het feit dat de huurder toestemming nodig heeft voor aanpassingen aan de spouwmuur en het ventilatiesysteem, vindt de rechter in dit geval dat de huurder de maatregelen had kunnen treffen. Ook als de huurder deze toestemming niet heeft, betekent dat volgens de rechter niet dat de huurder nooit aan de last onder dwangsom kan voldoen. Dat is in zekere zin opmerkelijk, nu dat impliceert dat de huurder de maatregelen ook zonder de toestemming van de verhuurder had moeten treffen. Daarmee zou de huurder in strijd handelen met de huurovereenkomst (en daarom onder meer het risico lopen op boetes door de verhuurder). Uit deze uitspraak blijkt dat de afspraken en verantwoordelijkheidsverdeling in de huurovereenkomst maar tot op zekere hoogte relevant zijn voor de beoordeling wie de overtreder is van de energiebesparingsplicht. Er is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en de uitkomst daarvan wachten we met belangstelling af.