Het afrekenen van de aanneemsom is regelmatig een punt van discussie tussen aannemers en opdrachtgevers, zowel tijdens de uitvoeringsfase als na oplevering. Welke prijs is de opdrachtgever aan de aannemer verschuldigd als dit niet duidelijk uit de overeenkomst blijkt? Twee recente uitspraken van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen geven inzicht in de wijze waarop deze prijsbepaling wordt beoordeeld. [1] In beide zaken heeft de opdrachtgever (respectievelijk hoofdaannemer) een deel van de facturen van de aannemer onbetaald gelaten. Aannemer (respectievelijk onderaannemer) vordert betaling van die facturen. Voor de leesbaarheid zal ik hierna de termen 'opdrachtgever' en 'aannemer' gebruiken, waarbij 'opdrachtgever' ook de hoofdaannemer omvat en 'aannemer' ook de onderaannemer.
Standpunten van partijen
In beide zaken stelt de aannemer zich op het standpunt dat de opdrachtgever de openstaande facturen is verschuldigd aangezien partijen een aannemingsovereenkomst op regiebasis (op basis van nacalculatie) hebben gesloten. Volgens opdrachtgever zijn partijen daarentegen een vaste aanneemsom overeengekomen zodat er in beginsel niet meer is verschuldigd dan die vaste prijs. Subsidiair stelt opdrachtgever zich op het standpunt dat er een richtprijs is overeengekomen, waarbij een maximum overschrijding van 10% geldt ingevolge artikel 7:752 Burgerlijk Wetboek.
Kortom: de aannemer vordert betaling van de onbetaalde facturen, maar de opdrachtgever meent niet meer te hoeven betalen dan de overeengekomen vaste- of richtprijs.
Verdeling van de bewijslast
Arbiters wijzen erop dat de bewijslast voor het bestaan van een vaste prijsafspraak volgens vaste rechtspraak rust op degene die zich daarop beroept – in dit geval de opdrachtgever. Arbiters hanteren dezelfde bewijslastverdeling bij de richtprijs. Om zich te verweren tegen de gevorderde betaling van openstaande facturen, dient de opdrachtgever dus voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat een vaste- of richtprijs is overeengekomen en dat de gevorderde bedragen deze prijs overschrijden. Arbiters hanteren vervolgens de ‘Haviltex-maatstaf’ bij de beoordeling wat partijen met elkaar hebben afgesproken over de prijs. Alle relevante omstandigheden van het geval spelen hierbij een rol.
Relevante omstandigheden
De rechtspraak over prijsbepaling is zeer casuïstisch van aard, omdat arbiters alle relevante omstandigheden van het geval in samenhang beoordelen. Op basis van deze twee uitspraken van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen kunnen globaal enkele factoren worden afgeleid die een rol kunnen spelen bij het beoordelen van de prijsbepaling. Hieronder een aantal voorbeelden.
De totstandkoming van de overeenkomst
- Indien de opdrachtgever ten tijde van contractsluiting nog niet over een (goedgekeurd) definitief ontwerp beschikte, is het aannemelijk dat de aannemer niet (voldoende) in staat was om het werk af te prijzen. Dat duidt op een overeenkomst op regiebasis.
De inhoud van de overeenkomst
- Een opslag van 10% over geleverd materiaal, onderaannemers en installaties duidt op regiebasis.
De uitvoering van de overeenkomst
- Het opdragen van meerwerkopdrachten duidt op een vaste aanneemsom. Bij regiebasis is namelijk geen sprake van meerwerk zoals bedoeld in artikel 7:755 Burgerlijk Wetboek.
De facturering en betaling
- Het bijsluiten van urenverantwoordingen en materiaalbonnen bij facturen duidt op regiebasis.
Het oordeel
In beide zaken hebben arbiters de vorderingen van de aannemer toegewezen. Arbiters oordelen dat de opdrachtgevers onvoldoende hebben gesteld en onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat partijen een vaste aanneemsom of richtprijs zijn overeengekomen en/of dat opdrachtgever daar redelijkerwijze op mocht vertrouwen. Aangezien de opdrachtgevers niet (althans onvoldoende) hebben bestreden dat de door de aannemer gefactureerde uren en materiaalkosten daadwerkelijk zijn gemaakt, gaan arbiters ervan uit dat de in rekening gebrachte kosten juist en redelijk zijn. In beide zaken zijn de opdrachtgevers daarom gehouden tot betaling van de openstaande facturen.
Tot slot
Hoewel het oordeel van arbiters over de prijsbepaling sterk casuïstisch van aard is, laten deze uitspraken wel een algemene lijn zien ten aanzien van de verdeling van de stel- en bewijslast tussen aannemer en opdrachtgever.
De aannemer die in rechte betaling van openstaande facturen vordert op regiebasis, dient aan de hand van specificaties van uren en materialen aan te tonen dat deze uitvoeringskosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Aan de hand van feiten en omstandigheden zal de aannemer moeten aantonen dat partijen een overeenkomst op regiebasis hebben gesloten.
De opdrachtgever die facturen van de aannemer weigert te betalen vanwege een overschrijding van de vaste- of richtprijs, draagt in rechte een aanzienlijke stel- en bewijslast om zich tegen de betalingsvordering van de aannemer te verweren. Uitgangspunt is namelijk dat de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd (artikel 7:752 Burgerlijk Wetboek). De opdrachtgever dient feiten en omstandigheden aan te voeren om te bewijzen dat een vaste- of richtprijs is overeengekomen (en dat de gevorderde bedragen van de aannemer deze prijs overschrijden). Als de opdrachtgever de inhoud van de facturen niet (of onvoldoende) betwist, dan gaan arbiters er in beginsel vanuit dat de door aannemer in rekening gebrachte kosten juist en redelijk zijn.
Bij Kennedy Van der Laan houden we de ontwikkelingen in het bouwrecht nauwlettend in de gaten. Heb je vragen over dit artikel of over een specifieke kwestie, neem contact op met Gracia de Vries.
[1] Nr. 37.717 d.d. 30 januari 2025 en Nr. 37.837 d.d. 26 februari 2025.