Sinds augustus 2022 moeten de meeste studiekosten voor een werknemer, door werkgevers worden betaald. Daarom zijn veel studiekostenbedingen sindsdien nietig. Dat betekent dat deze bedingen niet meer bestaan en dat werkgevers er geen beroep meer op kunnen doen. Dit geldt voor studiekostenbedingen voor verplichte scholing. Verplichte scholing kan volgen uit de wet of uit cao’s.
Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden
Onze wet is op het gebied van studiekosten in 2022 gewijzigd. Deze wetswijziging is een gevolg van de Richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de EU. Uit de overwegingen van die richtlijn volgt dat beroepskwalificaties en beroepsopleidingen zijn uitgezonderd van de hiervoor genoemde verplichting. Dat betekent dat werkgevers de kosten voor die opleidingen, niet hoeven te betalen en dat er dus nog wel een studiekostenbeding voor kan worden afgesproken.
Onder beroepskwalificaties en beroepsopleidingen valt bijvoorbeeld scholing voor advocaten, psychologen en fysiotherapeuten. Of deze uitzondering altijd geldt, is nog maar de vraag. Er is momenteel veel discussie over de vraag of deze opleidingen niet alsnog door werkgevers moeten worden bekostigd, als het opleidingen zijn die noodzakelijk zijn voor de functie waarvoor de werknemer is aangenomen. Om die discussie te beslechten zijn er in oktober 2024 door hof Den Haag vragen gesteld aan de Hoge Raad.
Hoe zit het met nascholing?
Op 20 februari 2025 werd er een uitspraak gepubliceerd van de rechtbank Noord-Holland over de vraag of de werkgever of werknemer moest opdraaien voor nascholingskosten. De werkgever had in deze zaak studiekostenbedingen afgesproken met vrachtwagenchauffeurs over het terugbetalingen van kosten voor verplichte nascholing voor vrachtwagenchauffeurs. De verplichte nascholing was nodig voor het behoud van een beroepskwalificatie als vrachtwagenchauffeur (ook wel ‘code 95’). De werknemers in deze zaak vonden dat de studiekostenbedingen nietig waren.
De werknemers kregen geen gelijk van de rechter. De rechter oordeelde dat het in deze zaak ging om kosten die werden gemaakt voor nascholing. Deze nascholing is noodzakelijk voor de uitoefening van de functie waarvoor de werknemers waren aangenomen. Maar, omdat de scholing valt onder de uitzondering uit de hierboven genoemde richtlijn, hoefde de werkgever deze kosten niet te betalen. De uitzondering uit de richtlijn ziet op beroepsopleidingen en beroepskwalificaties die werknemers moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie. Daar valt dus ook nascholing onder. De werkgever had bedragen tussen de € 180 en € 553 ingehouden op het laatste salaris van de werknemers. Die bedragen mocht de werkgever dus houden.
Wat betekent dit voor werkgevers en werknemers?
Dit betekent dat als werkgevers zich met succes beroepen op de uitzondering voor beroepsopleidingen en beroepskwalificaties, daaronder ook kosten voor nascholing vallen. Werkgevers kunnen in dat geval dus een geldig studiekostenbeding aangaan inclusief een terugbetalingsverplichting voor de scholingskosten en de kosten voor nascholing. Of werkgevers zich in de toekomst met succes op de uitzondering kunnen (blijven) beroepen, zal afhangen van de beantwoording van de vragen die hof Den Haag heeft gesteld aan de Hoge Raad. Die antwoorden worden in 2025 verwacht.
Wil je meer lezen over deze uitspraak? Ilse schreef er een annotatie bij voor vakblad JAR. De vindplaats is JAR 2025/79.