Is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat verzekeraar zich op uitsluiting in verhuurclausule beroept?
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2024
Tot voor kort werd bij de beantwoording van de vraag of een beroep door een verzekeraar op een polisvoorwaarde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, een onderscheid gemaakt tussen zogenaamde primaire dekkingsomschrijvingen (ECLI:NL:HR:2006:AV9435) en preventieve garantieclausules (ECLI:NL:HR:2000:AA7915). Als een polisvoorwaarde als primaire dekkingsomschrijving kwalificeerde, dan was het voor verzekerden niet mogelijk zich erop te beroepen dat het causaal verband tussen de schade en het schenden van de polisvoorwaarde ontbrak. Indien de polisvoorwaarde een preventieve garantieclausule was, dan had de verzekerde dat verweer wel. In de praktijk werd aangenomen dat de kwalificatie van een polisvoorwaarde met name afhankelijk was van de bewoordingen van een clausule. Dat maakte het er echter niet gemakkelijker op.
In zijn arrest van 16 februari 2024 – ook wel het Fjordenpaarden-arrest genoemd – heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het toch wel ingewikkelde onderscheid tussen de primaire dekkingsomschrijving en de preventieve garantieclausule in het vervolg wordt losgelaten (ECLI:NL:HR:2024:258). In plaats daarvan zal, bij de beoordeling of een beroep op een polisvoorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is vanwege het ontbreken van causaal verband, steeds weer aan de hand van door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten (r.o. 3.4) moeten worden bekeken of een dergelijk beroep kan slagen.
De Hoge Raad heeft geen concrete conclusies verbonden aan het aan de orde zijn van een van de verschillende gezichtspunten. Wel heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de gezichtspunten geen harde regels zijn en dat ook andere factoren een rol kunnen spelen. De Hoge Raad heeft in dat kader als mogelijke omstandigheid genoemd dat een verzekerde ‘willens en wetens’ een dekkingsvoorwaarde heeft geschonden. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van de zaak.
Recent, op 5 november 2024, is het arrest van het hof in de Fjordenpaardenkwestie verschenen. De kernvraag in deze zaak was of de verzekeraar dekking voor de aansprakelijkheid van de verzekerde manegehouder kon weigeren voor schade van een gevallen ruiter, omdat de verzekerde niet had voldaan aan een specifieke dekkingsvoorwaarde. Deze voorwaarde bepaalde dat bij de verhuur van rijpaarden zowel de instructeurs als de huurders over de juiste diploma’s moesten beschikken. Het stond vast dat aan de voorwaarde niet was voldaan.
Het hof oordeelt dat de verzekeraar zich op deze zogenaamde verhuurclausule kan beroepen. Het hof hecht daarbij veel waarde aan het feit dat de verzekeraar tijdens de looptijd van de verzekering herhaaldelijk het belang van deze clausule had benadrukt. Bovendien had de verzekeraar bij eerdere schadegevallen deze clausule toegepast. Verder is het volgens het hof van belang dat de tussenpersoon van de manegehouder een verzoek had gedaan om de verhuurclausule te versoepelen, maar dat de verzekeraar dit verzoek had afgewezen. Volgens het hof was het belang van de verzekeraar bij de clausule evident: paardrijden brengt inherent risico’s met zich, en hoe beter de rijvaardigheid, hoe kleiner de kans op een ongeval en daarmee op schade.
Het hof overweegt verder dat de verzekeraar een duidelijke ondergrens had vastgesteld om discussies over de feitelijke oorzaak van schade te voorkomen. Dit had de verzekerde, mede door de bijstand van zijn tussenpersoon, moeten begrijpen. Het hof laat echter in het midden of de hiervoor geschetste achtergrond op zichzelf voldoende grond biedt om de dekking te weigeren. Het hof gaat namelijk ook in op het causaal verband tussen het niet naleven van de verhuurclausule en het ontstaan van de schade. Het hof komt tot de conclusie dat de verzekerde niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ruiter niet zou zijn gevallen als hij over de vereiste diploma’s had beschikt.
Interessant is dat het hof de gezichtspunten van de Hoge Raad niet echt concreet lijkt toe te passen. Belangrijk in het verwijzingsarrest lijkt vooral het element van communicatie tussen de verzekeraar en de (tussenpersoon van de) verzekerde over de dekkingsvoorwaarde en de waarde die de verzekeraar daaraan duidelijk hechtte.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet