In hoeverre maakt langdurige bekendheid met risico’s een spoorwegovergang en toegangsweg gebrekkig in de zin van art. 6:174 BW?
In deze zaak vormt een tragisch verkeersongeval op een onbewaakte spoorwegovergang in Scheemda in 2018 de aanleiding voor het geschil. Een personenauto, bestuurd door een 78-jarige man, botste daar op een trein van Arriva. De automobilist kwam om het leven en aan de trein en de spoorweginfrastructuur ontstond schade. De automobilist was WA-verzekerd bij Achmea.
In de hoofdzaak vorderde Arriva vergoeding van haar schade van Achmea als WAM-verzekeraar van de automobilist, een bedrag van ruim EUR 117.000,-. Achmea betaalde deze schade en stelde vervolgens in de vrijwaringszaak vorderingen in tegen de spoorwegbeheerder en tegen de gemeente, als wegbeheerder. Achmea vorderde dat de spoorwegbeheerder en de gemeente haar zouden vrijwaren voor alles waartoe zij in de hoofdzaak was veroordeeld, alsmede vergoeding van de door haar aan de nabestaanden uitgekeerde bedragen en gemaakte kosten van in totaal circa EUR 9.300,-. De spoorwegbeheerder vorderde op haar beurt vergoeding van schade aan de spoorweginfrastructuur ten bedrage van circa EUR 15.000,-.
De rechtbank Noord-Nederland wees de vordering van Arriva toe, wees de vrijwaringsvorderingen van Achmea af en kende de vordering van de spoorwegbeheerder toe. Volgens de rechtbank was het ongeval het gevolg van een verkeersfout van de automobilist en was geen sprake van een gebrekkige spoorwegovergang of weg. Achmea berustte in het vonnis in de hoofdzaak, maar stelde hoger beroep in tegen het oordeel in de vrijwaringszaak.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigt het oordeel van de rechtbank. Het hof acht zowel de spoorwegovergang als de weg ernaartoe gebrekkige opstallen in de zin van artikel 6:174 BW. Doorslaggevend zijn onder meer de gevaarlijke ligging nabij bochten, het relatief intensieve gebruik, het ontbreken van actieve beveiliging en het feit dat zich in de jaren voorafgaand aan het ongeval meerdere ernstige ongevallen hadden voorgedaan. De spoorwegbeheerder en de gemeente waren met deze risico’s bekend en hebben nagelaten tijdig maatregelen te treffen. Zij zijn naast de automobilist hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van Arriva. In de interne draagplicht verdeelt het hof de schade als volgt: 50% voor de automobilist (en Achmea), 30% voor de gemeente en 20% voor de spoorwegbeheerder.
Deze uitspraak onderstreept dat langdurige bekendheid met veiligheidsrisico’s zwaar weegt bij de beoordeling van gebrekkigheid. Voor weg- en spoorwegbeheerders is het essentieel om gemaakte afspraken over maatregelen tijdig en aantoonbaar uit te voeren. Uitstel kan leiden tot (hoofdelijk) aansprakelijkheid, ook wanneer de primaire fout bij een weggebruiker ligt.
Deze teaser is geschreven door Rosanne Snoek
Om de uitspraak te lezen klik hier.