Sinds 1 juli 2025 is het Verdrag van 2 juli 2019 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het ‘Verdrag’) [1] officieel van kracht geworden tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Deze ontwikkeling vormt een belangrijke stap richting grotere rechtszekerheid en voorspelbaarheid ten aanzien van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen voor partijen die betrokken zijn bij grensoverschrijdende geschillen.
Van Brussel I bis naar bilaterale complexiteit
Tot de Brexit werd de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen beheerst door de Brussel I bis-Verordening, maar na de Brexit in 2020 kwam hier een einde aan. De erkenning en tenuitvoerlegging van Britse vonnissen in EU-lidstaten (en vice versa) werd afhankelijk van bilaterale verdragen of het Haags Forumkeuzeverdrag van 2005, dat slechts van toepassing is bij exclusieve forumkeuzebedingen.
Het Verenigd Koninkrijk probeerde aanvankelijk opnieuw toe te treden tot het Lugano-verdrag van 2007, dat een vergelijkbaar kader biedt als de Brussel I bis-Verordening tussen de EU en EFTA-landen (Zwitserland, Norway, IJsland) en Denemarken. De Europese Commissie wees dit verzoek echter af, onder meer omdat het Verenigd Koninkrijk als derde land geen bijzondere band meer heeft met de interne markt van de EU.[2]
Wat regelt het Verdrag?
Het Verdrag werkt sinds 1 september 2023 voor de EU en daarmee voor al haar lidstaten (met uitzondering van Denemarken) en biedt een minimumnorm voor de erkenning en tenuitvoerlegging van civiele en handelsvonnissen tussen verdragsluitende staten. Het Verdrag kent echter veel uitsluitingen, zoals (overeenkomsten die betrekking hebben op) het vervoer van personen en goederen, (besluiten van) rechtspersonen, intellectuele eigendom, insolventie, arbitrage en mededinging (artikel 2). Uit de definitie van ‘vonnis’ volgt dat het Verdrag slechts betrekking heeft op eindvonnissen. Voorlopige en bewarende maatregelen, zoals het leggen van beslag of een kort geding, worden niet door het Verdrag gedekt.[3]
Artikel 5 bepaalt in welke gevallen een vonnis erkend en ten uitvoer moet worden gelegd. Lid 1 geeft in totaal dertien indirecte bevoegdheidsgronden die verband houden met de staat van herkomst. De bevoegdheidsgronden zijn opgedeeld in drie categorieën: bevoegdheid gebaseerd op i) een band tussen de gedaagde en de staat van herkomst (zoals woonplaats of vestiging), ii) overeenstemming over de bevoegdheid en iii) een band tussen de vordering en de staat van herkomst.[4] Een vonnis wordt alleen erkend indien dit rechtsgevolg heeft in de staat van herkomst, en wordt uitsluitend ten uitvoer gelegd indien het uitvoerbaar is in de staat van herkomst. Daarnaast mogen gewezen vonnissen door een verdragsluitende staat niet inhoudelijk beoordeeld worden door de aangezochte rechter (artikel 4).
De erkenning of de tenuitvoerlegging kan uitsluitend worden geweigerd op de in het Verdrag vermelde gronden (artikel 7). Zo kan weigering plaatsvinden wanneer de verweerder het inleidende stuk niet tijdig en op zodanige wijze heeft ontvangen als met het oog op zijn verdediging nodig was. Ook als de betekening in strijd is met de grondbeginselen van de aangezochte staat, kan dit een grond voor weigering zijn. Daarnaast geldt dat erkenning kan worden geweigerd indien het vonnis is verkregen door bedrog, of als erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte staat. Dit laatste omvat onder meer schending van het recht op een eerlijk proces of aantasting van de staatsveiligheid of soevereiniteit. Een andere belangrijke grond is wanneer het geschil, op basis van een overeenkomst of trustakte, had moeten worden voorgelegd aan een ander gerecht dan dat van herkomst. Ook onverenigbaarheid met een eerder vonnis tussen dezelfde partijen (afkomstig uit de aangezochte staat of een andere staat) kan tot weigering leiden, mits dat eerdere vonnis voor erkenning in aanmerking komt. Erkenning of tenuitvoerlegging kan bovendien worden uitgesteld of geweigerd indien in de aangezochte staat al een procedure aanhangig is tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, op voorwaarde dat die procedure eerder is gestart en er een nauwe band bestaat tussen het geschil en de aangezochte staat. Tot slot is in artikel 10 ook een weigeringsgrond opgenomen in het geval het vonnis een schadevergoeding toekent die exemplair of punitief van aard is, en waarbij een partij niet gecompenseerd wordt voor feitelijk geleden verlies of schade.
Het Verdrag had voor 1 juli 2025 nauwelijks praktisch belang, aangezien het Verdrag wijkt voor de Brussel I bis-Verordening ten aanzien van vonnissen van rechters in de EU. Nu het Verdrag in werking is getreden voor het Verenigd Koningrijk, neemt het praktisch belang toe: nu regelt het Verdrag de tenuitvoerlegging van beslissingen van Engelse rechters waarop het Verdrag van toepassing is.[5]
Wat betekent dit voor Nederlandse bedrijven?
Door de minimumnorm die is vastgesteld in het Verdrag voor het verkeer van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken tussen de landen die partij zijn bij het Verdrag, bevordert het Verdrag de toegang tot de rechter voor iedereen en vergemakkelijkt het de internationale handel, investeringen en mobiliteit door de risico’s en kosten van grensoverschrijdende geschillen te verlagen. Het Verdrag kent dus een geharmoniseerd stelsel voor erkenning van buitenlandse vonnissen, waarbij de aangezochte staat slechts in beperkte gevallen de erkenning mag weigeren. Voor bedrijven die contracteren met Britse partijen biedt dit meer zekerheid en voorspelbaarheid.[6] Ten aanzien van de tenuitvoerlegging geldt, binnen de grenzen van het Verdrag, het Nederlandse burgerlijk procesrecht. Dit brengt met zich mee dat voor de tenuitvoerlegging van het vonnis een exequatur is vereist (art. 12 en 13 Vonnissenverdrag jo. art. 985 Rv).[7]
Europese steun en toekomstperspectief
Het Europees Parlement heeft in een resolutie van 19 juni 2025 zijn steun uitgesproken voor de toetreding van het Verenigd Koninkrijk. Het parlement benadrukt dat het Verdrag de toegang tot de rechter verbetert en het internationale rechtsverkeer bevordert.[8] Hoewel het Verdrag niet dezelfde mate van juridische integratie biedt als het Lugano-verdrag, vormt het een belangrijke stap richting efficiënte samenwerking in civiele rechtszaken met het Verenigd Koninkrijk.[9]
[1] Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken, ’s-Gravenhage, 2 juli 2019 (voor Nederland als lidstaat van de EU in werking getreden op 1 september 2023).
[2] Communication from the Commission to the European Parliament and the Council – Assessment on the application of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland to accede to the 2007 Lugano Convention van 4 mei 2021 (https://eur-lex.europa.eu).
[3] Q. Schier, ‘Het Haags Vonnissenverdrag 2019: (r)evolutie van internationale erkenning en tenuitvoerlegging?’, Bb 2023/1, p. 61.
[4] F.J.N. van Osch, ‘De Game Changer’, NJB 2020/4, p. 273.
[5] J.M. van Dijk, ‘Opinionkwesties: Brexit, het Haags Forumkeuzeverdrag en het Haags Vonnissenverdrag’, On 2024/72, p. 484.
[6] European Parliament resolution of 19 June 2025 on supporting the United Kingdom accession to the Convention of 2 July 2019 on the Recognition and Enforcement of Foreign Judgments in Civil or Commercial Matters (2025/2709(RSP)), paragraph C (https://www.europarl.europa.eu).
[7] J.M. van Dijk, ‘Opinionkwesties: Brexit, het Haags Forumkeuzeverdrag en het Haags Vonnissenverdrag’, On 2024/72, p. 484.
[8] European Parliament resolution of 19 June 2025 on supporting the United Kingdom accession to the Convention of 2 July 2019 on the Recognition and Enforcement of Foreign Judgments in Civil or Commercial Matters (2025/2709(RSP)) (https://www.europarl.europa.eu).
[9] S. Blaakman, ‘The United Kingdom's accession to the Hague Judgments Convention’, June 2025 (https://www.europarl.europa.eu).