Verzekeraars mogen geen dekking weigeren voor brandschade aan woning en bedrijfsgebouw.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 februari 2025
Recent heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich uitgesproken over de vraag of verzekeraars dekking mochten weigeren voor schade aan een woning en bedrijfsgebouw. De schade was ontstaan door brand, die door de verzekerde zelf was aangestoken. De verzekerde had dat ook erkend. Medici hadden vastgesteld dat de verzekerde leed aan een chronische paranoïde waanstoornis met regelmatige agressieve impulsdoorbraken. Dat de verzekerde zijn medicijnen daarvoor niet slikte, zou ook verband houden met deze ernstige psychische problematiek. De verzekerde was niet strafrechtelijk vervolgd voor de brandstichting.
De verzekerde had zijn woning en bedrijfsgebouw bij verschillende verzekeraars verzekerd, en beide verzekeraars weigerden dekking voor de schade. De woonhuisverzekeraar stelde dat de schade niet gedekt was, omdat deze was veroorzaakt door opzettelijk of roekeloos handelen, afwijkend gedrag en/of brandstichting. De bedrijfsgebouwenverzekeraar vond dat er geen dekking verleend hoefde te worden, omdat niet aangetoond was dat de verzekerde geen schuld had aan de brandstichting.
Volgens artikel 7:952 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vergoedt de verzekeraar geen schade die de verzekerde opzettelijk of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. Dit wetsartikel is van regelend recht, wat betekent dat hiervan in de polisvoorwaarden kan worden afgeweken. Beide verzekeraars hadden afwijkende voorwaarden opgenomen, waarop zij zich dus ook beriepen.
De rechtbank ging niet mee in de dekkingsafwijzing van de verzekeraars. Ze verwees naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat schade veroorzaakt onder invloed van een geestelijke stoornis niet altijd als opzettelijk handelen kan worden beschouwd (ECLI:NL:HR:1987:AG5566). Een geestelijke stoornis kan het vermogen van weten en/of willen zodanig aantasten dat opzet, roekeloosheid of merkelijke schuld niet aan de orde zijn.
Vanwege de diagnose “paranoïde psychose met ernstig gevaarlijk impulsief gedrag”, de vaststelling door deskundigen dat de verzekerde niet in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien, en het volledig gebrek aan ziektebesef waardoor de verzekerde zijn medicijnen niet slikte, oordeelt de rechtbank dat de verzekerde terzake de brandstichting geen verwijt kan worden gemaakt. Het beroep door de verzekeraars op eigen schuld van de verzekerde wordt om die reden dan ook afgewezen.
De rechtbank gaat ook niet mee met het beroep van een van de verzekeraars op de uitsluiting voor schade die is veroorzaakt door of te maken heeft met strafbare feiten. Volgens de rechtbank hoefde de verzekerde deze uitsluiting niet zo te begrijpen dat hieronder ook de schulddelicten (zoals brand door schuld uit artikel 158 Wetboek van Strafrecht) zouden vallen.
Deze uitspraak laat zien dat het feit dat een verzekerde de schade zelf (en op het eerste gezicht, opzettelijk) heeft veroorzaakt niet altijd een beroep op opzet rechtvaardigt.
Deze teaser is geschreven door Rosalinde Montulet.