Waarom verzekeraars bij kwalijke praktijken in de letselschade niet langer kunnen wegkijken
Wie letselschade oploopt, stapt een onzekere periode in. Er zijn zorgen over werk, inkomen en herstel. En er is meestal weinig kennis van het recht. De meeste slachtoffers weten simpelweg niet hoe letselschade wordt afgewikkeld, welke kosten redelijk zijn of waar een belangenbehartiger zich aan hoort te houden. Juist daarom behoren zij aangewezen te zijn op de integriteit van professionele belangenbehartigers. Maar helaas schuilt juist daarin ook de kwetsbaarheid.
Want naast veel bevlogen en integere belangenbehartigers is er ook een andere werkelijkheid. Een wereld waarin zichtbaarheid, commercie en f inancieel eigen gewin soms harder groeien dan kwaliteit. Op Instagram, TikTok en andere kanalen wordt met promotiefilmpjes en soms zelfs met influencers geworven om slachtoffers binnen te halen. Voor iemand die niet thuis is in de letselschadepraktijk, kan dat al snel overtuigend en betrouwbaar klinken. Maar een gelikt profiel is nog geen garantie voor zorgvuldige belangenbehartiging.
Poortwachtersrol
Dat is precies waarom het WODC-rapport De belangenbehartiger bij letselschade uit 2024 zo belangrijk is. Het rapport benoemt wat er in de praktijk mis kan gaan: onder meer dubbel declareren, ondoorzichtige beloningsstructuren en wurgcontracten. Het zijn praktijken die raken aan de kern van behoorlijke belangenbehartiging. Want wie niet begrijpt wat hij tekent, wie niet weet hoe zijn belangenbehartiger wordt betaald, of wie klem komt te zitten in een contract waar hij nauwelijks uit kan, verliest grip op zijn eigen dossier. Het WODC legt daarbij de vinger op de juiste plek: de verzekeraar heeft hier een poortwachtersrol. Verzekeraars staan immers niet aan de zijlijn. Zij zien hoe dossiers lopen, welke informatie wel of niet wordt gedeeld, hoe declaraties worden opgebouwd en of een schaderegeling vlot en eerlijk verloopt. Als daarin patronen zichtbaar worden van misleiding, onzorgvuldige dossierbehandeling, dubbel declareren, onnodige vertraging of bijvoorbeeld financieel eigen gewin, kan een verzekeraar zich niet verschuilen achter de gedachte dat dit alleen een zaak is tussen slachtoffer en belangenbehartiger.
De rechtspraak bevestigt dat inmiddels. In de Unigarant-zaak heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden een kader gegeven. Het hof noemt dat het de verzekeraar slechts vrij staat om een belangenbehartiger te weigeren als de verzekeraar daarvoor goede redenen heeft. Daarvan zal met name sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:
• niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en/of;
• klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en/of;
• onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.
Daarmee ligt de lat hoog. De verzekeraar mag dus niet op onderbuikgevoel selecteren, maar moet werken met concrete aanwijzingen. In de onderstaande twee recente uitspraken van de Rechtbank Midden-Nederland wordt dit nader in beeld gebracht.
De uitspraak van 18 maart 2026 in de zaak van een belangenbehartiger tegen a.s.r. laat zien hoe ernstig het wordt wanneer de financiële constructie rond de belangenbehartiging ondoorzichtig is. Daar beschrijft de rechtbank een werkwijze waarbij richting cliënt en richting verzekeraar niet hetzelfde verhaal werd verteld. Er waren twee versies van de overeenkomst van opdracht: één met succesfee en één zonder. a.s.r. kreeg slechts de versie zonder succesfee. De cliënt wist ondertussen niet van de door a.s.r. betaalde buitengerechtelijke kosten, terwijl hij zelf wel facturen voor de succesfee kreeg. Hij werd zelfs buiten correspondentie over die kosten gehouden. De rechtbank noemt die werkwijze misleidend en oordeelt dat a.s.r. daarom terecht heeft geweigerd de samenwerking voort te zetten en integriteitsmaatregelen heeft getroffen.
Dat oordeel raakt de kern. Een belangenbehartiger mag stevig onderhandelen. Hij mag een hoge schadevergoeding nastreven. Maar hij mag geen twee werkelijkheden creëren. Zodra financiële afspraken bewust buiten beeld worden gehouden, verdwijnt de transparantie die juist in deze praktijk onmisbaar is. En juist daar ligt ook de rol van de verzekeraar: zij moet kunnen beoordelen welke kosten noodzakelijk en redelijk zijn en of het slachtoffer niet wordt benadeeld door de manier waarop de belangenbehartiger zijn verdienmodel heeft ingericht. De rechtbank maakt duidelijk dat de werkelijke financiële afspraken de verzekeraar wel degelijk aangaan.
Patroon van misstanden
Op 24 maart 2026 volgde de uitspraak in kort geding over Trias c.s. tegen eveneens a.s.r. Die zaak laat een andere, maar even zorgelijke kant van hetzelfde probleem zien. Het ging daarbij om een patroon van misstanden. De voorzieningenrechter noemt structurele tekortkomingen in dossiers: het niet melden van opeenvolgende ongevallen, het achterhouden of ontbreken van voor de schadeafwikkeling essentiële (medische) informatie, het dubbel claimen van schadeposten, het onjuist of onvolledig informeren van de verzekeraar, het declareren van buitengerechtelijke kosten zonder specificatie en zelfs het gijzelen van dossiers zolang BGK niet werd betaald. De voorzieningenrechter oordeelt dat a.s.r. onder deze omstandigheden de samenwerking mocht beëindigen en de getroffen maatregelen mocht handhaven.
Opvallend is dat uit de uitspraak volgt dat voor ingrijpen niet steeds bewezen opzettelijke misleiding is vereist. Ook een opeenstapeling van structurele en ontoelaatbare slordigheden kan voldoende zijn om over te gaan tot beëindiging en registraties. Zie in dit verband ook de overwegingen van de rechtbank in de zaak over een belangenbehartiger: “Uit de tekst van artikel 5.2.1 en de Annex bij het PIFI maakt de rechtbank op dat het niet per definitie om strafbare feiten, althans een verdenking daarvoor, moet gaan. Ook andere onoorbare gedragingen kunnen onder de norm vallen. Wel geldt steeds dat de te verwerken gegevens - de verweten gedragingen - in voldoende mate moeten vaststaan” (r.o. 4.34).
Trias c.s. probeerde zich te verantwoorden met de door cliënten aangeleverde informatie. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Juist de belangenbehartiger moet relevante feiten goed uitvragen, de informatie van de cliënt controleren, om onderbouwing vragen en nieuwe informatie ook verwerken in de claim. Natuurlijk kan in een letselschadedossier een menselijke fout voorkomen. Maar de bedrijfsvoering moet zo zijn ingericht dat zulke fouten tot een minimum worden beperkt. En precies daar ging het volgens de rechtbank mis. Niet alleen door de omvang van de fouten, maar ook door de frequentie ervan. Dat maakt Trias c.s. volgens de rechtbank onvoldoende betrouwbaar en laat zien dat zij niet beschikte over de kennis en ervaring die voor adequate belangenbehartiging nodig zijn.
Wij juichen het toe wanneer zij hun poortwachtersrol serieus nemen. Als verzekeraars signaleren dat een belangenbehartiger structureel onbetrouwbaar handelt, relevante informatie achterhoudt, de kosten ondoorzichtig presenteert of het schaderegelingsproces ontregelt, is ingrijpen geboden. Niet uit machtsvertoon, en niet om kritische belangenbehartigers van de markt te drukken, maar omdat het slachtoffer vaak zelf niet kan overzien wat er misgaat. En omdat de verzekeraar, juist door zijn positie in het proces, soms de enige is die de patronen (tijdig) ziet.
Dit artikel werd gepubliceerd in Schade Magazine.