Kwalificatie voor de Olympische Spelen wordt op het sportveld beslecht. Of toch niet? Gezien de grote sportieve en financiële belangen bij kwalificatie voor internationale sporttoernooien komt het regelmatig voor dat atleten selectie achteraf via de rechter proberen af te dwingen als de prestaties op het sportveld niet voldoende waren. Hoewel een rechter terughoudend is in dat soort gevallen zijn procedures op voorhand zeker niet kansloos.
Kwalificatie-eisen en selectiedocumenten
Om voor kwalificatie in aanmerking te komen moet een topsporter voldoen aan zowel internationale eisen als de nationale eisen. De internationale eisen worden bepaald door de internationale federatie van de betreffende sport en het IOC. De nationale eisen worden door NOC*NSF bepaald in samenspraak met de nationale sportbond. Het door NOC*NSF gehanteerde uitgangspunt is daarbij dat een sporter moet hebben aangetoond bij de beste acht op de Olympische Spelen te kunnen eindigen. Als er binnen een sport meer sporters aan de kwalificatie-eisen voldoen dan er plaatsen zijn, dient de sportbond een intern selectiereglement op te stellen. Dit speelt bijvoorbeeld in het schaatsen, waar het Olympisch Kwalificatietoernooi (OKT) in Thialf uiteindelijk – behoudens uitzonderingen via aanwijsplekken – bepaalt wie wordt geselecteerd voor de Olympische Spelen (hiervoor wordt een zogenoemde matrix opgesteld). Sporters die het oneens zijn met (niet-)selectie kunnen zich tot de civiele rechter wenden en soms eerst ook nog tot een interne geschillen- of tuchtcommissie van de sportbond.
Rechters zijn terughoudend om in te grijpen in selectie
Uit de rechtspraak volgt dat rechters terughoudend zijn bij de beoordeling van de voordracht en selectie van atleten. Het verenigingsrecht is in principe leidend. Sportbonden zijn immers verenigingen en besluiten van organen van een vereniging, zoals het bestuur, kunnen slechts op een beperkt aantal wettelijke gronden worden aangetast. Veelal gaat het om de vraag of (het orgaan van) de sportbond, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen (zie: art. 2:15 lid 1 onder b BW). De rechter mag hierbij niet ‘op de stoel’ van het de sportbond gaan zitten en toetst het besluit terughoudend. Het orgaan van sportbond dat besluit dient namelijk ruimte te hebben om tot een eigen (belangen)afweging te komen.
Acht seconden te langzaam op de marathon
Er zijn de afgelopen jaren diverse zaken geweest waarin een atleet een selectiebeslissing aanvocht voor de rechter. Hardloopster Miranda Boonstra was in 2012 acht seconden langzamer dan de limiet voor deelname aan de marathon op de Olympische Spelen in Londen. De Atletiekunie wenste haar desondanks naar de Olympische Spelen te sturen, maar NOC*NSF weigerde dit. Boonstra vorderde in kort geding deelname aan de Spelen en stelde onder meer dat NOC*NSF met deze beslissing te weinig oog had gehad voor de menselijke maat, haar progressie, de (slechte) weersomstandigheden en de bijzondere omstandigheid dat op een marathon maar beperkte limietpogingen mogelijk zijn. De voorzieningenrechter wees de vorderingen af en oordeelde dat NOC*NSF mocht vasthouden aan de norm en zorgvuldig en in redelijkheid had gehandeld.[1]
Bovenstaande zaak bevestigt – evenals andere, meer recente, zaken – de terughoudendheid van de rechter. In 2021 kon basketballer Julian Jaring in kort geding geen selectie afdwingen voor het 3x3 basketbalteam op de Olympische Spelen van Tokio. Hij was onderdeel van het team op het kwalificatietoernooi, maar de toenmalige bondscoach mocht alsnog in redelijkheid een andere speler in zijn plaats selecteren om een beter team te kunnen samenstellen.[2] Skiester Isabelle Hansen vorderde in 2022 in kort geding toelating tot de Olympische Spelen – ondanks dat zij niet aan de nationale kwalificatie-eisen had voldaan – met een beroep op gelijke behandeling. Twee andere atleten – een skiër en snowboardster – hadden die eisen ook niet gehaald, maar waren wel geselecteerd. De vorderingen werden afgewezen omdat de prestaties tussen de sporters verschillend waren en er daarmee volgens de voorzieningenrechter geen sprake was van ongelijke behandeling.[3]
Toch niet kansloos in de rechtszaal
Ondanks het voorgaande zijn er ook voorbeelden van zaken waarin de rechter de sportbond verplichtte een atleet te selecteren. In 2024 oordeelde de voorzieningenrechter dat de KNWU niet minder renners voor het WK BMX mocht selecteren dan er plekken waren. Hoewel de selectiereglementen niet verplichtten om alle plekken te vullen, had de KNWU wel de verwachting gewekt dat alle plekken gevuld zouden worden. Daarnaast mocht KNWU bij het besluit om de BMX’er niet te selecteren achteraf geen redenen aanvoeren die niet voorafgaand kenbaar en transparant waren (zoals de financiële kosten voor het selecteren van een extra renner). In een andere zaak uit datzelfde jaar werd geoordeeld dat golfer Joost Luijten alsnog diende te worden voorgedragen voor de Olympische Spelen omdat NOC*NSF niet achteraf de kwalificatietermijn mocht verkorten en Luijten in de oorspronkelijke periode had voldaan aan de kwalificatie-eisen.[4]
Conclusie
In elke zaak dient opnieuw aan de hand van de omstandigheden in die zaak te worden geoordeeld of er juist is gehandeld bij de selectie van atleten. En de praktijk toont aan dat dit ook wel eens mis gaat. Redenen voor rechters om in te grijpen en te oordelen dat sporters alsnog geselecteerd dienen te worden bestaan bijvoorbeeld als er geen objectieve en vooraf kenbare criteria zijn gebruikt; willekeur aan een besluit ten grondslag ligt; procedures of reglementen onjuist zijn toegepast of verwachtingen zijn gewekt die niet worden nagekomen. Door de terughoudende toetsing van de rechter zul je als sporter echter van goeden huize moeten komen om via de rechter achteraf kwalificatie af te dwingen wanneer dat op het speelveld niet is gelukt.
[1] Rb. Arnhem (vzr.) 26 juni 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX0082.
[2] Rb. Midden-Nederland (vzr.) 12 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3164.
[3] Rb. Midden-Nederland (vzr.) 21 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:160.
[4] Rb. Gelderland (vzr.) 2 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:4841.